Werkstuk bewerken
6.12 Gebruikersvariabelen weergeven en bewerken
Contour in de cyclus en het programma overnemen
Bediening met muis en toetsenbord
Naast de bediening via de softkeys kunt u de functies ook met het toetsenbord en de muis
bedienen.
6.12
Gebruikersvariabelen weergeven en bewerken
6.12.1
Overzicht
De door u gedefinieerde gebruikersvariabelen kunnen in lijsten worden weergegeven.
Gebruikersvariabelen
De volgende variabelen kunnen gedefinieerd zijn:
● Globale rekenparameters (RG)
● Rekenparameters (R-parameters)
● Globale gebruikersvariabelen (GUD) die in alle programma's geldig zijn
● Lokale gebruikersvariabelen (LUD) zijn geldig in het programma waarin ze zijn gedefinieerd.
● Programmaglobale gebruikersvariabelen (PUD) gelden in het programma waarin ze zijn
gedefinieerd en in alle subprogramma's die door dit programma worden opgeroepen.
Kanaalspecifieke gebruikersvariabelen kunnen telkens voor elk kanaal met een verschillende
waarde worden gedefinieerd.
Invoeren en weergeven van parameterwaarden
Er worden tot 15 cijfers (incl. cijfers na de komma) geëvalueerd. Wanneer u een getal met
meer dan 15 cijfers invoert, dan wordt dit getal in exponentiële weergave geschreven (15 cijfers
+EXXX).
188
Druk op de softkey "Element midden" om het einde van de contour op het
midden van het element te plaatsen.
- OF -
Druk op de softkey "Element midden" om het einde van de contour op het
einde van het element te plaatsen.
- OF -
Druk op de softkey "Cursor" om het begin van het element met de cursor
op een willekeurig punt vast te leggen.
Druk op de softkey "OK".
De geselecteerde contour wordt overgenomen in het invoermasker Con‐
tour van de editor.
Druk op de softkey "Contour overnemen".
De programmablok wordt overgenomen in het programma.
Bedieningshandboek, 12/2017, 6FC5398-8CP40-6JA1
Draaien