64
Openen en sluiten
Bij ingeschakelde EDW knippert het controle‐
lampje
1
in het bedieningspaneel dakconsole.
De EDW wordt in de volgende gevallen automa‐
tisch uitgeschakeld:
na de ontgrendeling met de sleutel
R
na het indrukken van de start-stoptoets met
R
de sleutel in het voertuig
EDW (diefstal-/inbraakalarminstallatie) in- en
uitschakelen
Bij ingeschakeld waarschuwingssysteem wordt in
de volgende situaties een optisch en akoestisch
alarm geactiveerd:
Er wordt een portier geopend.
R
De motorkap wordt geopend.
R
%
Het alarm blijft ook ingeschakeld als de
reden voor het alarm, bijvoorbeeld het ope‐
nen van een deur, direct weer wordt opgehe‐
ven.
Inschakelen
Alle deuren sluiten.
#
Het voertuig vergrendelen met de sleutel.
#
Het controlelampje
neel dakconsole knippert.
1
in het bedieningspa‐
Uitschakelen
Het voertuig ontgrendelen met de sleutel.
#
Het controlelampje
neel dakconsole dooft.
%
Als er na het ontgrendelen binnen 40 secon‐
den geen deur wordt geopend, vergrendelt
het voertuig weer automatisch.
Het alarm beëindigen
De toets % of & op de sleutel indruk‐
#
ken.
of
De start-stoptoets indrukken, met de sleutel
#
in het voertuig.
Het alarm stopt.
Functie van de wegsleepbeveiliging
Functie van de wegsleepbeveiliging
Als de wegsleepbeveiliging is geactiveerd en de
hellingshoek van het voertuig verandert, treedt
een optisch en akoestisch alarm in werking. Dit is
bijvoorbeeld het geval als het voertuig aan een
kant omhoog wordt gebracht.
Wegsleepbeveiliging in- of uitschakelen
In- en uitschakelen
Het voertuig vergrendelen met de sleutel.
#
De wegsleepbeveiliging wordt automatisch na
circa 40 seconden geactiveerd.
Het voertuig ontgrendelen met de sleutel.
#
De wegsleepbeveiliging is uitgeschakeld.
De wegsleepbeveiliging wordt alleen geactiveerd,
als de volgende onderdelen gesloten zijn:
de chauffeurs- en bijrijdersdeur
R
de zijdeuren
R
de achterdeuren
R
1
in het bedieningspa‐