4-186
BEDIENINGSORGANEN EN INSTRUMENTEN
Display-indicatie
• Batterijlaadmodus geactiveerd.
• Batterijtemperatuur te hoog of te laag.
• Enige tijd nadat de batterijkabels weer zijn aangesloten,
bijvoorbeeld na het vervangen van de batterij.
• Batterij onvoldoende opgeladen (na langdurig stallen van
de wagen, veel stroomverbruik of defecte batterij)
• Voertuig geparkeerd op een steile helling.
• ABS werkt.
• Gaspedaal ingetrapt.
• Lage rembekrachtigerdruk.
• Motortoerental te hoog of te laag.
• Buitentemperatuur te hoog of te laag.
• Rijsnelheid niet hoger dan ongeveer 10 km/h nadat de
motor is gestart.
• Voertuig tot stilstand gebracht door plots remmen.
• Motorkap geopend.
• Bestuurdersdeur geopend.
• Veiligheidsgordel bestuurder niet vastgeklikt.
• Motor gestart met geopende motorkap.
• Controlelampje vrijloopstopsysteem UIT licht op of
knippert.
• Sperdifferentieel vergrendeld. (modellen mMet
sperdifferentieel achter)
• 4L (4WD low) is geselecteerd. (modellen met
vierwielaandrijving)
• DPD regeneratie bezig.
• Autonoom noodremsysteem (AEB) treedt in werking en
het voertuig is tot stilstand gebracht.
Conditie