Belangrijke punten
De bestuurder moet altijd de
afstandsbediening bij zich dragen
en meenemen bij het verlaten van
de auto.
Afhankelijk van de locatie van de
auto en mogelijke radiogolven in
de omgeving kan het voorkomen
dat de afstandsbediening niet cor-
rect werkt. Draag de afstandsbe-
diening niet in de buurt van
elektronische apparaten zoals een
mobiele telefoon of een laptop.
Neem de afstandsbediening altijd
mee als u de auto verlaat, voor het
geval dat de batterij van de
afstandsbediening leeg is of dat de
afstandsbediening niet werkt.
4-1. BEDIENING
Veiligheidsaanwijzingen
WAARSCHUWING
De auto zendt radiogolven uit als het
Smart entry-systeem met startknop
wordt gebruikt om de portieren te ver-
grendelen of ontgrendelen, de achter-
klep te openen of de startknop te
bedienen. Hierbij is het mogelijk dat dit
systeem de werking van geïmplan-
teerde pacemakers of hartdefibrillatoren
beïnvloedt.
Mensen met een geïmplanteerde pace-
maker of hartdefibrillator dienen tijdens
het ontgrendelen of vergrendelen van
de portieren ten minste 22 cm uit de
buurt van de auto te blijven. Laat deze
mensen ook niet tegen de auto leunen
of van dichtbij bij de auto naar binnen
kijken tijdens het ontgrendelen of ver-
grendelen van de portieren.
Gebruikers van elektrische medische
apparatuur anders dan geïmplanteerde
pacemakers, CRT-pacemakers en
geïmplanteerde hartdefibrillatoren moe-
ten contact opnemen met hun arts of de
fabrikant van deze producten om te
informeren of radiosignalen invloed uit-
oefenen op de werking van deze appa-
ratuur.
95
4