286
5-1. AANWIJZINGEN VOOR HET RIJDEN
Brandstof besparen
Uitrusting
Dit hoofdstuk beschrijft alle stan-
daard, landspecifieke en speciale uit-
rusting die beschikbaar is voor de
modelserie. Daardoor worden moge-
lijk uitrusting en functies beschreven
die niet in uw auto aanwezig zijn, bij-
voorbeeld als gevolg van de geselec-
teerde optionele uitrusting of de
landenspecificatie. Dit geldt ook voor
functies en systemen met betrekking
tot veiligheid. Houd u bij het gebruik
van de bijbehorende functies en sys-
temen aan de desbetreffende wet- en
regelgeving.
Beperken van het
brandstofverbruik
Algemeen
De auto beschikt over diverse tech-
nologieën voor het beperken van het
brandstofverbruik en de emissie.
Het brandstofverbruik is afhankelijk
van verschillende factoren.
Een aantal maatregelen, zoals een
gematigde rijstijl en regelmatig onder-
houd, kunnen het brandstofverbruik
verlagen en de belasting van het
milieu verminderen.
Verwijder onnodige lading
Extra gewicht verhoogt het brandstof-
verbruik.
Verwijder op de auto
geplaatste onderdelen na
gebruik
Op de auto geplaatste onderdelen
hebben een nadelige invloed op de
stroomlijn en verhogen het brandstof-
verbruik.
Sluit de ruiten
Geopende ruiten verhogen de lucht-
weerstand en daarmee het brandstof-
verbruik.
Banden
Algemeen
Banden kunnen op een aantal manier
invloed hebben op het brandstofver-
bruik. Zo heeft bijvoorbeeld de ban-
denmaat gevolgen voor het verbruik.
Regelmatig controleren van de ban-
denspanning
Controleer de bandenspanning min-
stens tweemaal per maand en voor-
dat u een lange rit maakt en corrigeer
de bandenspanning indien nodig.
Een te lage bandenspanning ver-
hoogt de rolweerstand en daarmee
het brandstofverbruik en de slijtage
van de banden.
Rijd onmiddellijk weg
Breng de motor niet op temperatuur
door deze stationair te laten draaien,
maar rijd bij voorkeur meteen weg en
houd daarbij gematigde motortoeren-
tallen aan.