Bochten maken
Let op!: Wanneer u zeer
scherpe bochten maakt met een
aanhanger achter de auto, kan
uw aanhanger tegen de auto
aankomen. Hierdoor kan de auto
beschadigd worden. Voorkomen
scherpe bochten terwijl u met een
aanhanger rijdt.
Wanneer u een bocht neemt met
een aanhangwagen, moet u breder
uitwijken dan normaal zodat de
aanhangwagen geen zachte
bermen, stoepranden, verkeers-
borden, bomen of andere obstakels
raakt. Gebruik tijdig de richtingaan-
wijzer en vermijd schokkerige of
bruuske manoeuvres.
Richtingsignalen tijdens het
trekken van een aanhanger
De richtingaanwijzers op het instru-
mentenpaneel knipperen wanneer u
aangeeft een bocht te willen maken
of van rijstrook verandert. Als ze
correct zijn aangesloten, zullen de
lichten van de aanhangwagen ook
knipperen en de andere bestuurders
erop attent maken dat de auto een
bocht gaat maken, van rijstrook
verandert of stopt.
Tijdens het trekken van een
aanhanger knipperen de pijlen op
het instrumentenpaneel ook
wanneer de lampen van de
aanhanger doorgebrand zijn.
Controleer regelmatig om er zeker
van te zijn dat de aanhangwagen-
lampen nog werken.
Rijden op hellingen
Verlaag uw snelheid en schakel
naar een lagere versnelling voordat
u een lange of steile helling afrijdt.
Wanneer u niet terugschakelt,
moeten de remmen zo veel worden
gebruikt dat ze heet kunnen worden
en niet meer goed werken.
Rijden en bedienen
De auto kan in stand D (Drive)
trekken. Gebruik een lagere versnel-
ling wanneer de versnellingsbak te
vaak moet schakelen.
Wanneer u op grote hoogte een
auto trekt op steile hellingen, kookt
de motorkoelvloeistof op een lagere
temperatuur dan op normale
hoogten. Wanneer de motor meteen
wordt uitgeschakeld na het trekken
op grote hoogte op steile stijgende
hellingen, kan de auto soortgelijke
kenmerken vertonen als bij een
oververhitte motor. Om dit te
voorkomen, laat u de motor voordat
u de motor afzet enkele minuten
draaien terwijl de auto geparkeerd
staat, bij voorkeur op een vlakke
ondergrond, met de transmissie in
de parkeerstand (P). Wanneer de
waarschuwingslamp voor oververhit-
ting gaat branden, raadpleegt u
Oververhitte motor op pagina 9‑21.
8-53