Parkeerlichten
Eenzijdige parkeerlichten
Wanneer de auto wordt uitgezet, zet
u de richtingaanwijzerhendel naar
links of rechts om de parkeerlichten
aan de betreffende zijde te doen
branden. Er klinkt een geluidssig-
naal en het betreffende richtingaan-
wijzerlampje op het
instrumentenpaneel licht kort op. De
linker of rechter richtingaanwijzers
blijven branden totdat de auto weer
wordt aangezet of tot de
richtingaanwijzerhendel terug in de
neutrale positie wordt gezet.
Interieurverlichting
Regelbare instrumenten-
verlichting
De helderheid van het scherm van
het instrumentenbord, het infotain-
mentdisplay en de bedieningsor-
ganen, stuurbedieningsknoppen en
alle andere verlichte bedieningsele-
menten, evenals functiestatuscon-
trolelampjes kunnen worden
versteld.
Verlichting
Het duimwieltje bevindt zich op het
instrumentenpaneel naast de stuur-
kolom.
Draai het duimwieltje omhoog of
omlaag om de verlichting helderder
of donkerder te zetten.
Plafondverlichting
De bedieningsorganen voor de
plafondverlichting bevinden zich in
de dakconsole.
Druk op de volgende knoppen om
ze te bedienen:
(Aan): Druk hierop om de
plafondverlichting in te schakelen.
6-5