Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

Skoda Fabia 2012 Instructieboekje pagina 91

Inhoudsopgave

Advertenties

Remassistent
De remassistent wordt geactiveerd door het zeer snel indrukken van het rempe-
daal (bijvoorbeeld in gevaarlijke situaties). Hij versterkt de remkracht en helpt de
remweg te verkorten. Om de kortst mogelijke remweg te bereiken, moet het rem-
pedaal krachtig ingedrukt blijven tot de wagen tot stilstand is gekomen.
Het ABS wordt bij het ingrijpen van de remassistent sneller en effectiever geacti-
veerd.
Na het loslaten van het rempedaal wordt de werking van de remassistent auto-
matisch uitgeschakeld.
Bergwegrijhulp
De bergwegrijhulp vergemakkelijkt het wegrijden op hellingen. Het systeem
houdt de door de bediening van het rempedaal gegenereerde remdruk nog circa
twee seconden na het loslaten van het rempedaal vast. De bestuurder kan dus de
voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen en op de helling wegrij-
den, zonder de handrem te hoeven bedienen. De remdruk daalt geleidelijk, hoe
meer gas er wordt gegeven. Als de wagen niet binnen twee seconden wegrijdt,
begint deze terug te rollen.
De bergwegrijhulp is actief vanaf een helling van 5%, als het bestuurdersportier
gesloten is. Dit systeem is alleen actief bij het vooruit of achteruit wegrijden op
een helling. Het werkt niet bij het bergaf rijden.
Antiblokkeersysteem (ABS)
ä
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen
op pagina 85 en volg deze op.
Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren bij het remmen. Daardoor onder-
steunt het systeem de bestuurder bij het behouden van de controle over de wa-
gen.
Een ABS-ingreep is duidelijk merkbaar aan de pulserende bewegingen van het
rempedaal, die gepaard gaan met geluid.
Bij een ABS-ingreep de druk op het rempedaal niet verminderen. Als het rempe-
daal minder diep wordt ingedrukt, wordt het ABS uitgeschakeld. Bij een ABS-in-
greep nooit pompend remmen!
88
Bediening
Aandrijfslipregeling (ASR)
ä
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen
op pagina 85 en volg deze op.
De ASR is na het starten van de motor automatisch ingeschakeld. De aandrijfslip-
regeling past bij doordraaiende wielen het motortoerental aan de wegdekomst-
andigheden aan. Door de aandrijfslipregeling wordt zelfs bij ongunstige wegde-
komstandigheden het wegrijden, accelereren en omhoogrijden makkelijk ge-
maakt.
De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonde-
ringssituaties kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen, bijvoorbeeld:
bij het rijden met sneeuwkettingen,
bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond,
bij het "losschommelen" van de vastgereden wagen.
Vervolgens moet de ASR weer worden ingeschakeld.
Tijdens een ingreep van het systeem knippert het ASR-controlelampje
instrumentenpaneel.
Bij een storing van de ASR brandt in het instrumentenpaneel het ASR-controle-
lampje
» pagina
26.
De ASR kan indien gewenst door het indrukken van toets
den uit- en weer ingeschakeld Bij uitgeschakelde ASR brandt in het instrumen-
tenpaneel het controlelampje .
Afbeelding 81
ASR-toets
in het
» Afbeelding 81
wor-

Advertenties

Inhoudsopgave
loading

Inhoudsopgave