SLOTEN EN ALARM
||
N.B.
Probeer niet zelf de onderdelen van het
alarmsysteem te repareren of te wijzigen. Der-
gelijke pogingen kunnen van invloed zijn op
de verzekeringsvoorwaarden.
Alarm activeren
–
Druk op de vergrendelingstoets op de trans-
pondersleutel.
Alarm deactiveren
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de trans-
pondersleutel.
Geactiveerd alarm uitschakelen
–
Druk op de ontgrendelingstoets op de trans-
pondersleutel of steek de transpondersleutel
in het contactslot.
Gerelateerde informatie
•
Alarmindicatie (p. 196)
•
Alarmsysteem - automatische herinschake-
ling (p. 196)
•
Alarmsysteem - transpondersleutel defect
(p. 197)
196
Alarmindicatie
De alarmindicatie geeft de status aan van het
alarmsysteem (p. 195).
Een rode led op het dashboard geeft de status
van het alarmsysteem aan:
•
De led is uit – het alarm is uitgeschakeld
•
De led licht om de twee seconden eenmaal
op – het alarm is ingeschakeld
•
De led knippert snel vanaf het moment van
uitschakelen van het alarm (tot aan het
moment dat u de transpondersleutel in het
contactslot steekt en contactslotstand I
wordt bereikt) – het alarm is afgegaan.
Alarmsysteem - automatische
herinschakeling
De automatische herinschakeling van het alarm
voorkomt dat u de auto verlaat zonder het alarm-
systeem (p. 195) uit te schakelen.
Als u geen van de portieren noch de achterklep
binnen twee minuten na uitschakeling van het
alarm opent wanneer de auto met de transpon-
dersleutel ontgrendeld (en het alarm gedeacti-
veerd) werd, wordt het alarm automatisch
opnieuw ingeschakeld. De auto wordt bovendien
opnieuw vergrendeld.
Gerelateerde informatie
•
Beperkt alarmniveau (p. 197)