BANDEN
(2/3)
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning (inclusief
die van het reservewiel). Controleer deze
ten minste eenmaal per maand en voor
elke grote reis (raadpleeg hoofdstuk 4,
"Bandenspanning").
Zachte banden slijten sneller
en worden abnormaal warm.
De veiligheid van de auto kan
hierdoor in gevaar komen met
de volgende risico's:
– slechte wegligging,
– risico van een klapband of het losla-
ten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van
de belasting en de snelheid. Zorg voor
de juiste bandenspanning afhankelijk
van de gebruiksomstandigheden (raad-
pleeg de paragraaf "Bandenspanning").
5.10
De bandenspanningen moeten worden ge-
controleerd als de banden koud zijn; houd
geen rekening met hogere spanningen bij
warm weer of na een snelle rit.
Indien u de bandenspanning niet bij koude
banden kunt controleren, moet u de opge-
geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 psi)
verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een
warme band.
Bijzonderheden
Naargelang de auto, kan een adapter op het
ventiel nodig zijn bij het oppompen.
Let op, als een ventieldopje
ontbreekt of niet goed vast-
gezet is, kan er lucht uit de
banden ontsnappen en de ban-
denspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk
zijn aan de originele en dat ze helemaal
vastgezet zijn.
Vervangen van de banden
Laat dit, om veiligheidsrede-
nen, over aan een deskundige.
Door het monteren van een af-
wijkende band kan:
– de auto gaan afwijken van de betref-
fende wettelijke voorschriften;
– de wegligging verslechteren;
– het sturen zwaarder gaan;
– het gebruik van sneeuwkettingen be-
lemmerd worden.
Reservewiel
Raadpleeg hoofdstuk 5, "Reservewiel" en
"Verwisselen van een wiel".