AUTOMATISCHE TRANSMISSIE
Stand handgeschakeld
Trek de hendel, als deze in D staat, naar
links. Door de hendel telkens even te ver-
plaatsen, kunt u handmatig de versnellingen
bedienen.
– om naar een lagere versnelling te scha-
kelen, trekt u de hendel even naar achte-
ren;
– om naar een hogere versnelling te scha-
kelen, duwt u de hendel even naar voren.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op
het instrumentenpaneel.
Afhankelijk van de auto geeft een waarschu-
wingslampje op het instrumentenpaneel het
beste moment aan om naar een hogere (+)
of lagere versnelling (–) te schakelen om
het brandstofverbruik zo laag mogelijk te
houden.
Bijzondere gevallen
In sommige gevallen (bv. om de motor te
beschermen of wanneer de dynamische rij-
controle word ingeschakeld: ESCenz.) kiest
de transmissie tijdens het rijden toch zelf de
juiste versnelling.
Versnellingshendel niet in P of N, de
auto rijdt vooruit of achteruit zodra u het
rempedaal loslaat, zelfs zonder dat u het
gaspedaal indrukt. Druk op het rempe-
daal om de auto stil te zetten.
2.46
(2/3)
Ook kan, om verkeerde manoeuvres te
voorkomen, het schakelen door het systeem
geweigerd worden. In dit geval knippert de
aanduiding van de versnelling enkele secon-
des om u te waarschuwen.
Bijzondere omstandigheden
– Als door de helling van de weg of in
bochten de automatische werking niet
gehandhaafd kan worden (bijv.: in de
bergen), is het raadzaam om op handma-
tig schakelen over te gaan.
Hiermee voorkomt u het automatisch
achter elkaar schakelen door de versnel-
lingsbak bij stijgen en is het mogelijk op
de motor te remmen bij lange afdalingen.
– Om bij koud weer te voorkomen dat de
motor afslaat, raden wij u aan na het star-
ten van de motor even te wachten voor-
dat u de selecteurhendel verplaatst uit P
of N naar D of R.
Bij zeer koud weer kan het systeem het
handmatig schakelen verbieden zolang
de versnellingsbak de juiste temperatuur
nog niet heeft bereikt.
– Bij een auto zonder tractiecontrole
(ASR): is het beter om, op een glad
wegdek of bij weinig grip, over te gaan
op handmatig schakelen en de tweede
versnelling in te schakelen voordat u
wegrijdt, om te voorkomen dat de wielen
doorslippen.
– Wegrijden op en helling: hendel in
stand D of R en handrem vastgezet
voor de veiligheid (voor auto's die deze
hebben), laat het rempedaal los, druk
op het gaspedaal en zet de handrem los
zodra de auto wegrijdt. Voor auto's die
deze hebben, wordt de automatische
parkeerrem automatisch losgezet zodra
de auto wegrijdt (druk op het gaspedaal).
Bij het wegrijden op een hel-
ling, zelfs als de versnellings-
hendel in stand D staat, kan de
auto achteruit rijden (of vooruit
rijden in stand R); gebruik voor de veilig-
heid de parkeerrem.