BESTUURDERSONDERSTEUNING
||
1. Zet de keuzehendel in stand D. Wacht totdat
het stuur gedraaid is en rijd langzaam vooruit.
2. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
3. Schakel in de achteruit en rijd langzaam ach-
teruit.
4. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken.
Het systeem wordt automatisch gedeactiveerd,
waarna met grafische voorstellingen en een mel-
ding wordt aangegeven dat het insteken is afge-
rond. U moet mogelijk later corrigeren - alleen u
kunt beoordelen of de auto goed geparkeerd
staat.
BELANGRIJK
De waarschuwingsafstand is korter, wanneer
de sensoren worden gebruikt door PAP dan
wanneer Park Assist de sensoren gebruikt.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 420)
424
Uitparkeren met actieve
parkeerhulp
Uitparkeren
De functie
kan u helpen om een
parkeervak uit te rijden.
N.B.
Het verlaten van een parkeervak met
Uitparkeren
is alleen bestemd voor een
parallel geparkeerde auto - het systeem werkt
niet voor een haaks geparkeerde auto.
De functie
Uitparkeren
activeren in het functiescherm
op het middendisplay of in het
camerascherm.
U doet dat als volgt:
1. Tik op de knop
Uitparkeren
scherm of in het camerascherm.
2. Geef met de richtingaanwijzer aan in welke
richting de auto het parkeervak moet verla-
ten.
3. Zorg dat u klaar bent om te stoppen als het
beeld en de melding op het middendisplay u
hiertoe verzoeken. Volg de instructies op
dezelfde manier als bij de parkeerprocedure.
Let erop dat het stuur kan "terugveren" bij het
uitschakelen van de functie. U moet dan mogelijk
het stuur terugdraaien tot de maximale stuuruit-
slag om uit het parkeervak te kunnen rijden.
Als PAP oordeelt dat u zonder extra manoeuvres
kunt uitparkeren, wordt de functie uitgeschakeld,
ook al denkt u misschien dat de auto nog in het
parkeervak staat.
Gerelateerde informatie
•
Actieve parkeerhulp* (p. 420)
is te
in het functie-
* Optie/accessoire.