06 Sloten en alarm
Alarmsysteem - transpondersleutel
defect
Als u het alarm (p. 190) niet kunt uitschakelen
met de transpondersleutel (als bijvoorbeeld
de batterij (p. 177) van de sleutel leeg is), kunt
u de auto als volgt ontgrendelen, het alarm-
systeem deactiveren en de motor starten:
1. Open het bestuurdersportier met het
afneembare sleutelblad (p. 181).
> Het alarm gaat af, de alarmindicatie
(p. 191) knippert snel en de sirene
klinkt.
06
2. Steek de transpondersleutel in het con-
tactslot.
> Het alarm wordt gedeactiveerd en de
alarmindicatie dooft.
3. Start de motor.
Alleen in combinatie met een alarmsysteem.
8
192
Alarmsignalen
Wanneer het alarm (p. 190) afgaat, klinkt een
sirene en knipperen alle richtingaanwijzers.
•
Er klinkt een sirene totdat u het alarm uit-
schakelt. Bij inactiviteit gaat de sirene na
30 seconden lang automatisch uit. De
sirene heeft zijn eigen accu en werkt vol-
ledig onafhankelijk van de startaccu in de
auto.
•
Alle richtingaanwijzers knipperen totdat u
het alarm uitschakelt. Bij inactiviteit gaan
ze na vijf minuten automatisch uit.
Beperkt alarmniveau
Een beperkt alarmniveau houdt in dat de
bewegingsmelders en niveausensoren tijdelijk
worden uitgeschakeld.
Om te voorkomen dat het alarmsysteem
(p. 190) onbedoeld afgaat als u bijvoorbeeld
een hond in een vergrendelde auto achterlaat
of een autotrein of veerverbinding gebruikt,
dienen de bewegingsmelder en de niveau-
sensoren tijdelijk te worden gedeactiveerd.
De te volgen procedure is identiek aan die bij
tijdelijke uitschakeling van de Safelock-func-
8
tie (p. 188)
.
Gerelateerde informatie
•
Alarmindicatie (p. 191)