Automatisch dagrijlicht
WAARSCHUWING
Het automatische dagrijlicht
vervangt de persoonlijke in-
schatting van de lichtom-
standigheden niet
Gevaar voor ongevallen
Het automatische dagrijlicht bij
slechte lichtomstandigheden
uitschakelen.
OPMERKING
De omschakeling tussen dagrij-
licht en dimlicht, incl. stadslicht
voor kan automatisch gebeuren.
In het menu Instellingen,
Voertuiginstellingen,
Verlichting de functie Au-
tomat. dagrijlicht in-
schakelen.
Het controlelampje voor
het automatische dagrijlicht
licht op.
Als het omgevingslicht onder
een bepaalde waarde daalt,
wordt het dimlicht automatisch
ingeschakeld (bv. in tunnels).
Als wordt vastgesteld dat er
voldoende omgevingslicht is,
wordt de dagrijverlichting weer
ingeschakeld.
Als het dagrijlicht actief is,
brandt het controlelampje
van het dagrijlicht.
Handmatige bediening
van het licht bij
ingeschakelde automaat
Als de toets van het dagrijlicht
wordt ingedrukt, wordt het dag-
rijlicht uitgeschakeld en wor-
den het dimlicht en het stads-
licht voor ingeschakeld (bv. bij
het inrijden van tunnels, als de
dagrijlichtautomaat vanwege
het omgevingslicht vertraagd
reageert).
Als de toets voor het dagrijlicht
opnieuw wordt ingedrukt, wordt
de dagrijlichtautomaat weer ge-
activeerd, d.w.z. het dagrijlicht
wordt weer ingeschakeld als er
voldoende omgevingslicht aan-
wezig is.
Alarmlichtinstallatie
Alarmknipperlichten
bedienen
Contact inschakelen.
OPMERKING
De alarmknipperlichten belasten
de accu. De waarschuwingsknip-
perlichten slechts voor een be-
perkte tijdsduur inschakelen.
OPMERKING
Als een richtingaanwijzerknop
wordt ingedrukt terwijl de waar-
schuwingsfunctie is ingescha-
keld, dan treedt de richtingaan-
wijsfunctie in de plaats van de
waarschuwingsfunctie. Als de
4
71
z