Ongebruikelijke rijsituaties:
8
Gedurende langere tijd op het
achterwiel rijden (wheelie).
146
Het achterwiel laten draaien
bij bediende voorwielrem (bur-
nout).
Warmdraaien op een hulpstan-
daard met ingeschakelde neu-
traalstand of ingeschakelde ver-
snelling.
Minimumsnelheid voor
de activering van de
DTC
min 5 km/h
z
Als het voorwiel bij een extreme
acceleratie het contact met de
weg verliest, vermindert de ASC
resp. DTC in de rijmodi RAIN en
ROAD het motorkoppel, tot het
voorwiel weer de weg raakt.
In de DTC-instelling DYNAMIC
laat de voorwiel-loskomherken-
ning korte wheelies toe.
In de rijmodus DYNAMIC PRO is
de voorwiel-loskomherkenning
uitgeschakeld.
BMW Motorrad raadt bij het op-
heffen van het voorwiel aan de
gashendel iets terug te draaien
om zo snel mogelijk opnieuw in
een stabiele rijtoestand te ko-
men.
In de rijmodi RAIN, ROAD en
DYNAMIC komt de DTC-instel-
ling overeen met de rijmodus.
In de rijmodus DYNAMIC PRO
kan DTC afwijkend worden inge-
steld.
Motorsleepmomentre-
geling
met (motorsleepmomentrege-
SU
ling)
Hoe werkt de motorsleep-
momentregeling?
De motorsleepmomentregeling
heeft de taak om instabiele rij-
omstandigheden te voorkomen
door een te hoog sleepmoment
op het achterwiel. Afhankelijk van
de wegomstandigheden en rijdy-
namiek kan een te hoog sleep-
moment de aandrijfslip op het
achterwiel aanzienlijk vergroten
en de rijstabiliteit verminderen.
De motorsleepmomentregeling
begrenst teveel slip op het ach-
terwiel tot een veilige en modus-
en overhellingshoek afhankelijke
doelslip.
Oorzaken voor teveel slip op
het achterwiel:
Afremmen op de motor op een
wegdek met lage wrijvings-
coëfficiënt (bijvoorbeeld natte
bladeren).
Omhoogkomen van het achter-
wiel bij het terugschakelen.