3. Handige functies
6.
Voer de naam van het papier in.
U kunt maximaal 38 tekens met halve breedte invoeren. U kunt Ander aangepast papier
onder dezelfde naam registreren.
7.
Druk op [Papierformaat].
8.
Selecteer een papierformaat.
9.
Druk op [Papiergewicht].
10.
Geef het gewicht van het papier op.
U kunt ook [Papierdikte] opgeven.
11.
Druk op [Papiertype].
12.
Geef het papiertype op.
13.
Geef eventueel ook andere eigenschappen op, zoals [Type gecoat papier],
[Papierkleur], [Voorgeperforeerd], [Structuur], [Dubbelzijdig toepassen] en [Autom.
pap. sel. toepas.].
14.
Druk op [Pap. opslaan].
Het scherm [Aangepast papier opslaan] wordt weergegeven.
Als u de instellingen voor [Papiergewicht], [Papiertype], [Type gecoat papier], [Papierkleur],
[Voorgeperforeerd] of [Structuur] wijzigt en op [OK] drukt, verschijnt er een bericht waarin
staat dat [Geavanceerde instellingen] gestart wordt. Om de wijzigingen voor die instellingen
toe te passen, selecteert u [Wijzigen]. Als u de wijzigingen wilt annuleren, drukt u op [Niet
wijzigen].
15.
Druk op [Opslaan].
16.
Druk op [Geprogram.].
17.
Druk op [Afsluiten].
Aangepast papier wordt onder het laagste ongeregistreerde nummer opgeslagen.
18.
Druk op
19.
Druk op het pictogram [Home] (
• Als u glanzend papier wilt gebruiken, selecteert u [Gecoat: Glanzend] of [Gecoat:
Hoogglans] als [Type gecoat papier]. Als u mat papier gebruikt (waaronder zijdepapier, dof
en satijnen papier), selecteert u [Gecoat: Mat] als [Type gecoat papier].
• Voor meer informatie over aangepaste papierinstellingen, zie Pag. 61 "Instellingen voor
aangepast papier".
• Neem voor meer informatie over [Geav. inst.] contact op met uw apparaatbeheerder.
52
.
) in het midden onderaan het scherm.