6.2
Assistentsystemen
De assistentiesystemen Acces, Drive en Lift Control ondersteunen de bediener bij het
veilige gebruik van het interne transportmiddel met inachtneming van de
veiligheidsvoorschriften, zie "Veiligheidsregels voor het rijden" op pagina 90in deze
gebruikshandleiding.
Gedrag tijdens het rijden
De bediener moet de rijsnelheid aanpassen aan de plaatselijke omstandigheden. De
bediener moet bijvoorbeeld langzaam rijden in bochten en nauwe doorgangen, bij het
rijden door strokengordijnen / klapdeuren en op onoverzichtelijke plaatsen. De
bediener moet altijd een veilige remafstand aanhouden tot de trucks die zich in de
rijrichting gezien vóór hem bevinden en hij moet het interne transportmiddel altijd
onder controle hebben. Plotseling remmen (m.u.v. bij gevaar), snel keren, inhalen op
gevaarlijke of onoverzichtelijk plaatsen is verboden. Het is verboden buiten het werk-
of bedienbereik te leunen of te grijpen.
6.2.1 Access Control
De vrijgave vindt pas plaats als:
1)de bediener op de stoel is gaan zitten.
2)het interne transportmiddel met de sleutelschakelaar (ISM o/ CanCode o) is
ingeschakeld.
3)de veiligheidsgordel is omgedaan.
Z
Wanneer de bestuurdersstoel voor korte tijd wordt verlaten, kan het interne
transportmiddel na opnieuw plaatsnemen (stoel is bezet) en het opnieuw omdoen
van de veiligheidsgordel verder worden gebruikt, zonder de sleutelschakelaar
opnieuw te bedienen.
Z
Wanneer de rijvrijgave niet wordt gegeven, verschijnt er een infomelding. De
punten 1 tot 3 opnieuw uitvoeren.
134