VERLICHTING EN SIGNALEN
1
š
Markeringslichten
Draai de ring 3 tot het symbool bij
het merkteken 2 staat. Dit controlelampje op
het instrumentenpaneel licht op.
Voordat u in het donker gaat
rijden: controleer de werking
van de elektrische installatie
en stel de koplampen bij. Zorg
ervoor dat de lichten niet bedekt zijn
(vuil, modder, sneeuw, vervoer van voor-
werpen, enz.).
1.84
(1/5)
2
3
á
Grootlicht
Duw met de dimlichten aan tegen
de lichtschakelaar 1. Dit controlelampje op
het in-strumentenpaneel licht op.
Om het grootlicht uit en het dimlicht weer in
te schakelen, trekt u de lichtschakelaar 1 op-
nieuw naar u toe.
k
Dimlicht
Handbediend
1
Draai de ring 3 tot het symbool bij het merk-
teken 2 staat. Dit controlelampje op het in-
strumentenpaneel licht op.
Automatische werking
Draai de ring 3 tot het symbool AUTO bij
het merkteken 2 staat: draaiende motor, de
dimlichten schakelen automatisch in en uit,
naargelang de helderheid buiten, zonder dat
u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.
Wanneer u links rijdt met een auto met
de bestuurdersstoel aan de linkerkant
(of andersom), moeten bestuurders de
lampen opnieuw afstellen tijdens hun
verblijf. ➥ 1.90