Gebruiken van de melodiesequencer
6.
Verplaats d.m.v. de R-17 (u, i) toetsen de
cursor en verander dan d.m.v. de draairegelaar
of R-14 (–, +) toetsen de waarde bij de
cursorstand en druk dan op de R-16 (ENTER)
toets.
• Als u reeds een bereik gespecificeerd heeft d.m.v. het
locatiescherm (pagina D-80), dan kunt u dat bereik
kopiëren naar dit scherm door de L-12 (REPEAT) toets
ingedrukt te houden.
Opname startpunt
7.
Druk op de L-16 (START/STOP) toets na het
opname startpunt en eindpunt te hebben
gespecificeerd.
• Hierdoor wordt toets-voor-toets weergave gestart. U
kunt snelle voorwaartse en achterwaartse bewerkingen
tijdens toets-voor-toets weergave d.m.v. de
bewerkingen beschreven in stap 6 onder "Starten van
heropname vanaf een bepaalde plaats tijdens de
weergave (Handmatige toets-voor-toets weergave)"
(pagina D-76).
• U kunt toets-voor-toets weergave starten vanaf een
maat voor het huidige startpunt voor de opname door
op de L-12 (REPEAT) toets te drukken waardoor de
? indicator in de display verschijnt.
8.
Wanneer de weergave het door u
gespecificeerde heropnamepunt bereikt, begin
dan iets te spelen op het toetsenbord.
• Toets-voor-toets opname zal automatisch starten
wanneer de weergave het gespecificeerde opname
startpunt bereikt. De C-3 (RECORD) toets gaat
branden wanneer de opname start.
• De opname stopt en de toets-voor-toets opname wordt
automatisch uitgeschakeld wanneer het door u
gespecificeerde opname eindpunt wordt bereikt. Op dit
moment stopt de C-3 (RECORD) toets met branden.
• Als u met opnemen wilt stoppen voordat het door u
gespecificeerde opname eindpunt bereikt wordt, druk
dan op de L-16 (START/STOP) toets. Enige eerder
opgenomen data op het spoor dat na dit punt waar u
toets-voor-toets opname stopte, blijft op het spoor
aanwzig
• Wanneer "EOT" (Einde van Spoor) geselecteerd is voor
het opnamestartpunt, dan is het startpunt voor
toets-voor-toets opname het einde van het spoor.
D-78
Opname eindpunt
• Wanneer "OFF" (uit) geselecteerd wordt voor het
opname eindpunt, zal de toets-voor-toets opname niet
automatisch stoppen omdat geen eindpunt is
gespecificeerd. Druk nogmaals op de L-16 (START/
STOP) toets om in dit geval de toets-voor-toets
opname te stoppen.
Gebruiken van paneelopname
voor het herschrijven van
melodievoorloopinstellingen
De voorloopdata van elke melodie bevat
"voorloopinstellingen", wat instellingen zijn die van kracht
waren bij het Digitale Keyboard wanneer de opname
uitgevoerd wordt. U kunt d.m.v. een "paneelopname"
bewerking de voorloopinstellingen van een melodie
herschrijven met de huidige basisinstellingen van het Digitale
Keyboard.
De volgende items zijn voorloopinstellingen die herschreven
kunnen worden m.b.v de paneelopnamebewerkingen.
• Ritmeselectie
• Tempo instelling
• Toonschaal instelling
• De onderstaande mixerinstellingen
– Alle deelparameters van A04 - A07 en B01 - B16
(Exclusief deel aan/uit)
– Deelparameters van A09 - A16: Deel aan/uit, rwuweg
stemmen, fijnstemmen, toonschaal activeren, DSP lijn
– DSP parameters: volume, pan, nagalm zenden
• Effect instellingen
• Begeleidingsvolume
• UPPER 1 onderdeeltoon, UPPER 2 onderdeeltoon en
LOWER onderdeeltoon selecties
Uitvoeren van een paneelopnamebewerking
1.
Druk op de C-4 (SONG SEQUENCER) toets om
de melodiesequencermodus in te schakelen.
2.
Selecteer d.m.v. de draairegelaar of de R-14 (–,
+) toetsen een melodiegebiednummer.
3.
Configureer de paneelinstellingen zodat ze de
instellingen reflecteren die u als de
voorloopinstellingen wilt schrijven.
• U kunt de volgende instellingen configureren:
mixerinstellingen, tempo, systeemspoorritme,
spoortoonselectie, enz.
• Om de UPPER 1, UPPER 2 en LOWER
onderdeeltonen of mixerinstellingen van het
systeemspoor te veranderen, verander d.m.v. de mixer
de instellingen van de onderdelen A05 (UPPER 1), A06
(UPPER 2) en A07 (LOWER).