Gebruiken van een geheugenkaart
3.
Houd de R-13 (FUNCTION) toets ingedrukt en
druk op de C-17 (MENU) toets.
• Hierdoor wordt het functiemenu "Play/CardUtl" scherm
getoond.
4.
Verplaats d.m.v. de R-17 (t, y) toetsen de 0
naar "CardFormat".
5.
Druk op de R-16 (ENTER) toets.
• Dit geeft een waarde aan om het maximale aantal
geluidsopnames aan te geven dat kan worden
opgenomen.
6.
Specificeer d.m.v. de draairegelaar of R-14 (–, +)
toetsen het aantal geluidsopnames waarvoor u
de kaart wilt formatteren.
• U kunt een 2 GB kaart formatteren voor maximaal 14
melodieën. Een kaart van 4 GB tot 32 GB kan
geformatteerd worden voor maximaal 20 melodieën.
• Een geluidsopnamegebied van circa 128 MB wordt
gereserveerd op de geheugenkaart voor elke melodie.
• Het minimale aantal geluidsopnames dat u kunt
specificeren is 0 (hetgeen specificeert dat de kaart niet
gebruikt kan worden voor het opslaan van
geluidsopnames).
• Hoe groter het aantal geluidsopnames dat u hier
specificeert, des te langer het duurt om de kaart te
formatteren.
7.
Druk op de R-14 (YES) toets om de
geheugenkaart te formatteren of op de R-14
(NO) toets om te annuleren.
• De boodschap "Please Wait" blijft op de display terwijl
de formaatbewerking wordt uitgevoerd. Voer geen
bediening bij het Digitale Keyboard uit terwijl deze
boodschap op de display wordt weergegeven.
"Complete" verschijnt op de display nadat het
formatteren voltooid is.
• Formatteren kan wel enkele minuten duren.
Opslaan van data van het Digitale
Keyboard naar een
geheugenkaart
Opslaan dat data van het Digitale Keyboard
naar een geheugenkaart
1.
Insteken van de geheugenkaart in de kaartgleuf.
D-138
2.
Druk op de C-9 (CARD) toets van het Digitale
Keyboard om de kaartmodus te verlaten.
3.
Voer een van de onderstaande stappen uit
afhankelijk van het type data dat wilt opslaan op
de geheugenkaart.
• Alle basisinstelling registratiebanken worden
opgeslagen als een batchbestand. Overige data
worden opgeslagen in gebiedeenheden (data item).
Opslaan van dit
type data:
Eén gebruikersritme
1. Druk op de L-8 ([F] USER
RHYTHMS) toets.
2. Specificeer het
gebruikersritmenummer d.m.v. de
draairegelaar of de R-14 (–, +)
toetsen.
Eén gebruikerstoon
1. Druk op de R-11 ([K] USER TONES)
toets.
2. Specificeer het
gebruikerstoonnummer d.m.v. de
draairegelaar of de R-14 (–, +)
toetsen.
Een gebruiker
1. Druk op de R-12 ([L] DRAWBAR
trekorgeltoon
ORGAN) toets.
2. Specificeer het gebruiker
trekorgeltoonnummer (L:051 - L:100)
d.m.v. de draairegelaar of de R-14 (–,
+) toetsen.
Eén gebruikers DSP
1. Voer de stappen 1 - 4 uit onder
"Gebruiken van een DSP" (pagina
D-32).
2. Specificeer het gebruikers DSP
nummer (101 - 200) d.m.v. de
draairegelaar of de R-14 (–, +)
toetsen.
Een
1. Houd de L-6 ([D] WORLD/VARIOUS)
gebruikersvoorkeuze
toets ingedrukt en druk op de L-7 ([E]
PIANO RHYTHMS) toets om het
muziekvoorkeuzescherm te tonen.
2. Druk op de L-8 ([F] USER
RHYTHMS) toets.
3. Specificeer het
gebruikersvoorkeuzenummer d.m.v.
de draairegelaar of de R-14 (–, +)
toetsen.
Eén melodie in de
1. Druk op de C-4 (SONG
melodiesequencer
SEQUENCER) toets om de
melodiesequencermodus in te
schakelen.
2. Specificeer het melodienummer d.m.v.
de draairegelaar of de R-14 (–, +)
toetsen.
Alle
Druk op de C-10 (BANK) toets om het
registratiebanken
registratiebank selectiescherm te tonen.
Doe dit: