6.1.3
Montagevoorschrift aansluiting van de hydraulische turbineaandrijving
(optie)
Fig. 58/..
(A) aan de machine
(B) aan de tractor
(1) Tractor stuurventiel met
prioriteitschakeling,
enkel- of dubbelwerkend
(2) Hydromotor voor de turbine
(3) Stroomregelventiel van de machine
(4) Hydrauliekslang persleiding
(Markering: 1 rode slangklem)
(5) Hydrauliekslang retourleiding
met grote insteekkoppeling
(Markering: 2 rode slangklemmen)
(6) Hydraulische pomp van de tractor
(7) Oliefilter op de tractor
(8) Hydraulisch reservoir van de tractor
ED BAH0002 10.05
De persleiding (Fig. 58/4) op een enkelwerkend of dubbelwerkend
stuurventiel met prioriteitschakeling van de tractor aansluiten.
De retourleiding (Fig. 58/5) alleen op een drukloze retourleiding van
de tractor aansluiten, die een directe verbinding met het hydraulisch
reservoir van de tractor heeft De retourleiding niet op een stuurventiel
van de tractor aansluiten. De tegendruk mag niet meer dan 10 bar.
Voor de installatie van de retourleiding naar de tractor alleen pijp
type,DN 16, bijv. Ø20 x 2,0 mm gebruiken met een korte weg naar de
hydrauliektank.
Fig. 58
Opmerking!
De hydrauliekolie mag niet te warm worden.
Grote oliestromen in verbinding met kleine olietanks leiden tot
snelle opwarming van de hydrauliekolie. De inhoud van de
olietank op de tractor (Fig. 58/8) moet minstens overeenkomen
met twee maal de capaciteit van de oliepomp in liters. Bij te
sterke opwarming van de hydrauliekolie moet bij de dealer een
oliekoeler worden ingebouwd.
Indien er een tweede hydromotor naast de hydromotor voor de
turbine moet worden aangedreven, dan moeten de beide
hydromotoren parallel worden geschakeld. Worden de beide
motoren in serie geschakeld, dan wordt de toegestane stuwdruk
van 10 bar na de eerste hydromotor altijd overschreden.
In bedrijf stellen
73