Hoofdstuk 3: Configuratie en inbedrijfstelling
Aan de hand van gebruikersnamen kunnen gebruikersactiviteiten in het
gebeurtenislogboek worden herkend.
4. Druk op F4 (Enter) en vervolgens op F1 (Verlaten).
5. Druk op F1 (Onthouden), F3 (Toepassen), F4 (Verwijderen) of F2 (Verlaten).
Vergeet niet om de opgeslagen instellingen toe te passen vanuit het
hoofdmenu.
Beveiligde toegang
Selecteer de optie Beveiligde toegang om beveiligde of onbeveiligde toegang
tot de centrale te configureren. De standaardinstelling is beveiligde toegang
(alle gebruikersnaam- en wachtwoordgegevens moeten worden ingevoerd bij
elke aanmelding).
•
Indien onbeveiligde toegang is geselecteerd, vult de centrale automatisch de
meest recent gebruikte gebruikersnaam- en wachtwoordcombinatie in voor de
aanmelding
•
Indien beveiligde toegang is geselecteerd, moeten alle gebruikersnaam- en
wachtwoordgegevens worden ingevoerd bij elke aanmelding
Ga als volgt te werk om de beveiligingsinstelling te configureren:
1. Selecteer Wachtwoordinstellingen in het hoofdmenu en selecteer vervolgens
Beveiligde toegang.
2. Selecteer de gewenste beveiligingsinstelling.
3. Druk op F4 (Enter) en vervolgens op F1 (Verlaten).
4. Druk op F1 (Onthouden), F3 (Toepassen), F4 (Verwijderen) of F2 (Verlaten).
Vergeet niet om de opgeslagen instellingen toe te passen vanuit het
hoofdmenu.
Inbedrijfstelling
Nadat de centrale en de corresponderende melders zijn geïnstalleerd en
geconfigureerd, moet het systeem in bedrijf worden gesteld.
Controleer de volgende instellingen:
•
Of het brandmeldsysteem is ontworpen in overeenstemming met alle vereiste
regelgevingen en standaarden
•
Of de maximum alarmvoeding in uw installatie de huidige
voedingsspecificaties niet overschrijdt
•
Of alle apparatuur correct is geïnstalleerd en getest, en dat alle bekabeling
voldoet aan de vereisten in "Aanbevolen kabels" op pagina 28
•
Of alle softwarefuncties correct zijn geprogrammeerd
116
2X Series Installatiehandleiding