4.7
RIJDEN
Zie Figuur 4-6., Recht en dwars op helling
OPMERKING: Zie de tabel met bedrijfsspecificaties voor de nomi-
nale waarden voor hellingshoek en dwarshelling.
Alle nominale waarden voor hellingshoek en dwars-
helling zijn erop gebaseerd dat de giek van de
machine in de opbergstand staat en volledig neer-
gelaten en ingeschoven is.
RIJD ALLEEN MET DE GIEK UIT DE TRANSPORTSTAND OP EEN
VLAKKE, STEVIGE EN HORIZONTALE ONDERGROND.
OM DE MACHT OVER DE MACHINE NIET TE VERLIEZEN EN TE VOOR-
KOMEN DAT DEZE OMKANTELT, MAG DE MACHINE NIET OP HELLIN-
GEN RIJDEN DIE STEILER ZIJN DAN OP HET SERIENUMMERPLAATJE
IS AANGEGEVEN.
RIJD NIET DWARS OP HELLINGEN DIE STEILER ZIJN DAN 5 GRADEN.
WEES UITERST VOORZICHTIG WANNEER U ACHTERUIT RIJDT EN
STEEDS WANNEER HET PLATFORM IS GEHEVEN.
CONTROLEER DE ZWART/WITTE RICHTINGPIJLEN OP HET CHASSIS
EN HET PLATFORMBEDIENINGSSTATION VOORDAT U GAAT RIJDEN.
3122444
VERPLAATS DE RIJREGELAARS IN DE RICHTING DIE OVEREENKOMT
MET DE RICHTINGPIJLEN.
VOORUIT
Rijden wordt beperkt door twee factoren:
1. Hellingshoek, het hellingspercentage dat de machine
kan klimmen.
2. Dwarshelling, de hoek van de helling waarlangs de
machine kan rijden.
Wanneer de giek geheven of uitgeschoven is, mag de
machine niet op hellingen of dwarshellingen worden
gebruikt die groter zijn dan door het scheefstandalarm wordt
waargenomen. Het scheefstandalarm klinkt om de machinist
te waarschuwen wanneer de machine op een onveilige hel-
ling staat. De hoge versnelling van de machine wordt ook
teruggebracht tot lage versnelling.
– JLG Hoogwerker –
HOOFDSTUK 4 - MACHINEBEDIENING
ACHTERUIT
4-13