Gebruiksaanwijzing AcQMap-beeldvormings- en mappingsysteem met hoge resolutie
62
Direct uitgevoerde wijzigingen in de lokalisatieconfiguratie
In het venster Acquisitie kunnen een aantal lokalisatie-instellingen worden gewijzigd, zodat u niet
hoeft terug te gaan naar het dialoogvenster Lokalisatie-instellingen. Deze instellingen omvatten
de kanaaltoewijzingen Uitgesloten AcQMap-elektroden, Kanaal-mapping hulpkatheters en
Coördinatenreferentie, en weergavemodi voor AcQMap-katheters.
Coördinatenreferentie – Met oppervlakafleidingen
1. Klik op de knop Configureren onder de kop Coördinatenreferentie in het paneel
Lokalisatieconfiguratie.
2. Selecteer oppervlakafleidingen. Voer in het tekstveld kanalen voor anatomische referentie
in. Het vak is opgevuld met V1, V2, V3, V4, V5, V6, LL, LA en RA.
3. Kanaal voor kalibratiereferentie: Er zijn drie opties beschikbaar: AcQMap-katheter,
Ablatiekatheter en Hulpkatheter. De standaardoptie is AcQMap-katheter. Als de AcQMap-
katheter zich niet in de kamer bevindt, selecteert u een van de andere katheters die zich
in de kamer bevinden en herhaalt u het installatieproces, waarbij u ervoor zorgt dat de
katheter in de kamer is gecentreerd en stationair is.
4. Klik op [Toepassen] om de configuratie te voltooien.
Selectie anatomische referentie – Met behulp van een hulpkatheter
OPMERKING: Alleen vereist wanneer een hulpkatheter geplaatst is
1. Selecteer de hulpkatheter.
2. Voer in het tekstveld de kanaalnummers voor de elektroden voor anatomische
referentie in.
3. Klik op [Toepassen] om de wijzigingen door te voeren.
Bewerking zonder een anatomische referentie
Om het gebruik van oppervlakafleidingen of hulpkatheters over te slaan, schakelt u het vakje
naast AAN onder de kop Coördinatenreferentie uit.
OPMERKING: Aanbevolen wordt om dit altijd op AAN te laten staan.