Download Inhoudsopgave Inhoud Print deze pagina

De Controleweergaven Van De Flitsbelichting In De Zoeker Bij; Systeemconforme Flitsapparaten; Flitsen Met De Eigen Computergestuurde Automatische Flits Van Het Flitsapparaat; Handmatig Flitsen Met Constant Flitsvermogen - Leica S Gebruiksaanwijzing

Inhoudsopgave

Advertenties

NL
DE CONTROLEWEERGAVEN VAN DE FLITSBELICHTING IN DE ZOE-
KER BIJ SYSTEEMCOMPARTIBELE FLITSAPPARATEN
In het zoekerdisplay van de Leica S dient een flitssymbool voor de terug-
melding en weergave van verschillende indicatoren.
• verschijnt ondanks ingeschakeld en paraat flitsapparaat niet:
In zulke gevallen activeert de Leica S ook een ingeschakeld en paraat
flitsapparaat niet. (bijvoorbeeld terwijl op het flitsapparaat de verkeerde
modus is ingesteld)
• knippert vóór de opname:
– Het flitsapparaat is nog niet paraat
• brandt vóór de opname:
– Het flitsapparaat is paraat.
blijft na het ontspannen ononderbroken branden:
– De flits blijft paraat.
• Bij een aan het flitsapparaat ingestelde flits-belichtingscorrectie
– verschijnt in de zoeker bovendien als aanwijzing ±
FLITSEN MET DE FLITSAPPARAAT-EIGEN BELICHTINGSAUTOMAAT
Bij het werken met de aan de belichtingsautomaat systeemcompatibele
flitsapparaten wordt de door het object teruggekaatste hoeveelheid licht
niet door de camera, maar door een in het flitsapparaat geïntegreerde
sensor gemeten en geëvalueerd. De belichtingsmodi van de camera
verlopen in principe op dezelfde manier als zonder flits. Als bij
waarde lager is dan de flitssynchronisatietijd, respectievelijk bij
een kortere als synchronisatietijd is ingesteld, wordt de flits niet geac-
tiveerd.
Aangezien de modi P, A en T reeds een normaal belichte opname op
basis van het omgevingslicht produceren, moet het flitsvermogen lager
worden ingesteld; dat wil zeggen: een flits-belichtingscorrectie van
bijvoorbeeld –1 EV tot –2 EV.
Bij systeemcompatibele flitsapparaten wordt het op het objectief inge-
stelde diafragma aan het flitsapparaat overgedragen en automatisch als
computerdiafragma ten grondslag gelegd. Voor de meting wordt ook
rekening gehouden met de op de camera ingestelde gevoeligheid, maar
ook eventueel ingestelde belichtingscorrecties voor het omgevingslicht
(camera) en flits (flitsapparaat).
42

HANDMATIG FLITSEN MET CONSTANT FLITSVERMOGEN

Als het flitsapparaat in de handmatige flitsmodus met volledig of
gedeeltelijk vermogen (in zoverre instelbaar op het flitsapparaat) wordt
gebruikt, vindt geen regeling van de afgegeven hoeveelheid flitslicht
plaats. De belichtingsmodi van de camera verlopen in principe op
dezelfde manier als zonder flits.
Als bij
of
de waarde lager is dan de flitssynchronisatietijd, respectie-
A
T
velijk bij
of
een kortere als synchronisatietijd is ingesteld, wordt de
T
M
flits onderdrukt. Het in te stellen objectiefdiafragma volgt uit flitsvermo-
gen, gevoeligheid en afstand tot het object, of omgekeerd, het in te
stellen flits-deellichtvermogen uit diafragma, gevoeligheid, brandpuntsaf-
stand en afstand tot het object (zie handleiding flitsapparaat).

FLITSEN VIA HET X-CONTACT

Bij de aansluiting van een niet systeemcompatibel flitsapparaat via de
accessoireschoen worden geen gegevens overgedragen. Aangezien de
camera een dergelijk flitsapparaat 'niet kan herkennen', gedraagt het
zich alsof er geen flitsapparaat is aangesloten. De belichtingstijd moet
handmatig op de flitssynchronisatietijd
centrale sluiting, respectievelijk, of op langere tijden worden ingesteld;
een automatische omschakeling vindt niet plaats. De weergaven voor
flitsparaatheid en regeling zijn niet actief.
of
de
Als het flitsapparaat daarvoor is geschikt, kan de lichtregeling door
P
A
middel van de automaatdiafragma (dat wil zeggen: via de sensor op het
T
of
M
flitsapparaat) of handmatig door selectie van passende deellicht-vermo-
gensniveaus plaatsvinden (zie de handleiding van het flitsapparaat).
FLITSEN VIA DE ONDERSTE LEMO
Via de onderste LEMO
stallaties via de kabel met LEMO
gesloten. De LEMO
verhindert veilig een abusievelijke onderbreking van de verbinding. Aan-
gezien de camera een op deze manier aangesloten flitsapparaat 'niet kan
herkennen', gedraagt het zich alsof er geen is aangesloten. De belichting-
stijd moet handmatig op de flitssynchronisatietijd
s met centrale sluiting, respectievelijk, of op langere tijden worden
1
1000
ingesteld; een automatische omschakeling vindt niet plaats. De weerga-
ven voor flitsparaatheid en regeling zijn niet actief.
s, respectievelijk
s met
1
1
125
1000
-BUS
®
®
-bus kunnen flitsapparaten en grote studio-flitsin-
®
-stekker (meegeleverd) worden aan-
®
-aansluiting met zijn automatische vergrendeling
s, respectievelijk
1
125

Advertenties

Inhoudsopgave
loading

Inhoudsopgave