PROGRAMMA-SHIFT
De modus instellen
Kies met het achterste instelwiel
P
Met de functie programma-shift kunt u de door de programma-automaat
gekozen tijd/diafragma-combinaties veranderen, terwijl daarbij de totale
belichting (dat wil zeggen: de helderheid van het beeld) gelijk blijft.
Het verschuiven van de waarden doet u met het sluitertijd-/instelwiel.
Draai
– naar rechts voor grotere diafragma (kleinere waarden), respectievelijk
kortere sluitertijden
– naar links voor kleinere diafragma (grotere waarden), respectievelijk
langere sluitertijden.
Weergaven in de zoeker en in het afdekklep-display, maar bij Live
View ook op de monitor
–
in het afdekklep-display als aanwijzing voor het gebruik van de shift-
S
functie en
– de modusweergave
schakelt op de monitor over naar
P
– de automatisch geregelde diafragma- en tijdswaarden veranderen
tegengesteld.
Aanwijzing:
Shift-instellingen worden gehandhaafd
– na een verrichte opname,
– boven de 12 s vasthoudtijd van het belichtings-meetsysteem uit,
maar niet
– bij het overschakelen naar een andere belichtingsmodus (
– bij het uit- en inschakelen van de camera (ook door
).
Saving
In deze gevallen legt de camera bij hernieuwd gebruik van de programma-
automaat eerst de standaard-instelling van sluitertijd en diafragma vast.
TIJDAUTOMAAT - A
De modus instellen
1. Met het achterste instelwiel
'Belichtingsregeling')
2. Door aan het achterste instelwiel te draaien het gewenste diafragma
instellen.
De belichtingstijd wordt automatisch gevormd aan de hand van het
omgevingslicht en varieert traploos tussen 60s en
lijk
⁄
s bij gebruik van de centrale sluiter in enkele Leica S-objec-
1
1000
tieven.
Weergaven in zoeker en afdekklep-display, maar bij Live View ook
op de monitor
–
(Aperture priority) voor de geselecteerde belichtingsmodus,
A
– de handmatig ingestelde diafragmawaarde, maar ook
– de automatisch geregelde tijdswaarde.
Aanwijzingen:
,
• Als tegelijkertijd de automatische gevoeligheidsinstelling is geactiveerd
PS
(
), wordt het regelbereik van de tijdautomaat groter. Evenwel
ISO Auto
wordt de sluitertijd pas verlengd boven de drempelwaarde die door de
in het menu geselecteerde
ingestelde gevoeligheid is bereikt.
• Bij zeer weinig licht of bij extreme helderheid kan het voorkomen, dat
het beschikbare sluitertijden-bereik voor de geselecteerde diafragma-
waarde niet voldoet. In dergelijke, uiterst zeldzame gevallen verschijnt
in de zoeker een waarschuwingssymbool voor onderbelichting (even-
,
,
)
tueel ook als waarschuwing voor onder het meetbereik gaan, zie
A
T
M
daartoe 'Onder het meetbereik gaan'), of een waarschuwingssymbool
Auto Power
voor overbelichting. Een correcte belichtingsmeting is dan niet meer
mogelijk.
• In de videomodus zijn de langste sluitertijd afhankelijk van de inge-
stelde framerate.
selecteren (zie daartoe pagina 30,
A
⁄
s, respectieve-
1
4 000
instelling is vastgelegd, als de hoogst
1
⁄f
1
-
DIAFRAGMA-AUTOMAAT - T
De modus instellen
1. Met het achterste instelwiel
selecteren (zie daartoe pagina 30,
T
'Belichtingsregeling')
2. Met het sluitertijd-/instelwiel de gewenste belichtingstijd instellen.
Het objectiefdiafragma wordt dan automatisch geregeld op basis van
het omgevingslicht en varieert traploos tussen open diafragma en
kleinste diafragma van het betreffende objectief.
Weergaven in zoeker en afdekklep-display, maar bij Live View ook
op de monitor
–
(Time priority) voor de geselecteerde belichtingsmodus
T
– de automatisch geregelde diafragmawaarde
– de handmatig ingestelde tijdswaarde
Aanwijzingen:
• Als tegelijkertijd de automatische gevoeligheidsinstelling is geactiveerd
(
), wordt het regelbereik van de diafragma-automaat groter.
ISO Auto
Een eventuele daar ingestelde maximale sluitertijd heeft daarentegen
geen effect.
• Bij zeer weinig licht of bij extreme helderheid kan het voorkomen, dat
het beschikbare diafragmabereik van het gebruikte objectief voor de
geselecteerde sluitertijd niet meer voldoet. Stel, indien mogelijk, een
andere sluitertijd in.
• Maar meestal vindt ook in dergelijke gevallen een correcte belichting
plaats door automatische instelling van de geschikte sluitertijd; dat wil
zeggen: door een 'oversturing' van uw handmatige instelling. Een
waarschuwingssymbool verschijnt, eventueel ook als waarneming als
de waarde kleiner is dan de onderste drempelwaarde van het meetbe-
reik; zie daartoe 'Onder het meetbereik gaan'. Een correcte belichtings-
meting is dan niet meer mogelijk.
NL
31