AFSTANDSINSTELLING
De Leica S biedt u met alle S-objectieven keuze uit handmatige of auto-
matische afstandsinstelling. Het autofocus-systeem bepaalt de afstand
tot de objectdelen in het midden van het beeldveld, het bereik is op het
matglas, respectievelijk in de Live View-modus, ook op de monitor door
een kruis gemarkeerd.
Onafhankelijk van de modus informeert een weergave in de zoeker over
de actuele instelling:
– De linker driehoek geeft een te lange instelling aan (verschijnt uitslui-
tend in de handmatige modus, respectievelijk bij handmatige overstu-
ring van de autofocus). De middelste punt toont een correcte instelling
aan (brandt permanent), respectievelijk wanneer het systeem geen
afstand kan bepalen (knippert)
– De linker driehoek geeft een te korte instelling aan (verschijnt uitslui-
tend in de handmatige modus, respectievelijk bij handmatige overstu-
ring van de autofocus). Meer details over de weergaven vindt u in de
bijlage onder 'De weergaven / in de zoeker'.
Aanwijzing:
Het meetsysteem werkt passief op basis van contrasten; dat wil zeggen:
licht/donker-verschillen aan het beoogde objectdeel. Daarom is het
afhankelijk van een bepaalde minimale helderheid en contrast aan het
objectdeel.
De modus instellen
1. In het menu, gedeelte
, het punt
CAMERA
Drive Mode
2. in dit submenu de gewenste variant
Handmatige instelling - MF
Draai de afstandsinstelring aan het objectief, zodat uw object, respectie-
velijk het belangrijkste objectdeel in de zoeker op het matglas, respectie-
velijk in de Live View-modus op de monitor scherp wordt afgebeeld.
• Als u de ontspanner tot het drukpunt indrukt, verschijnen in het afdek-
klep-display de afstandsgegevens voor de ingestelde afstand (
maar ook voor de voorste (
) en achterste (
FRONT
scherptediepte-bereik.
In de Live View-modus kunt u als instelhulp een vergrote uitsnede oproe-
pen.
1. In het menu, gedeelte
selecteren
2. in dit submenu
Manual Focus Assist
3. daar
of
On
Off
• Als de functie is ingeschakeld, wordt iedere keer na het draaien
van de objectief-instelring kort een viervoudig vergrote, aanvanke-
lijk centrale uitsnede weergegeven. De uitsnede kunt u met de
5-weg-knop verschuiven.
Aanwijzingen:
• Ook bij handmatige instelling van de scherpte kunt u met de 5-weg-
knop op ieder moment de autofocusmodus activeren (zie daartoe het
volgende gedeelte en het gedeelte over de functie van de 5-weg-knop
op pagina 32).
• De Leica S wordt standaard met een volledig-mat glas geleverd, waar-
mee objectdelen in het gehele beeldveld betrouwbaar scherp kunnen
worden gesteld. Hij is geschikt voor de meeste fotografische toepassin-
gen, bijvoorbeeld objecten. Hij is bijzonder geschikt voor het werken
met langere brandpuntsafstanden en in het macrobereik. Als acces-
soire zijn andere matglazen beschikbaar, die afhankelijk van het toe-
passingsgebied optimale instelvoorwaarden bieden en gemakkelijk zijn
te wisselen.
selecteren en
AUTOMATISCH INSTELLEN
Er zijn twee autofocus-modi beschikbaar. Bij beiden wordt de instelproce-
dure door aantikken (eerste drukpunt) van de ontspanknop gestart.
AFs (single) = scherpteprioriteit
Het beoogde objectdeel word scherp gesteld.
– Daarna wordt de procedure beëindigd en de instelling opgeslagen, ook
wanneer de ontspanknop verder in het eerste drukpunt wordt vastge-
),
houden.
FOCUS
) grenzen van het
– Voordat er scherp gesteld is, kan niet worden geactiveerd, ook niet als
BACK
de ontspanknop volledig wordt ingedrukt.
Aanwijzing:
Het opslaan van een AF-instelling is niet alleen met de ontspanner, maar
ook met de 5-weg-knop mogelijk.
, het punt
SETUP
Capture Assistants
en
AFc (continuous) = ontspanprioriteit
De beoogde objectdelen worden scherpgesteld.
– De procedure wordt voortgezet, zolang de ontspanknop in het eerste
drukpunt wordt vastgehouden. Tijdens de vasthoudtijd wordt de instel-
ling gecorrigeerd, altijd wanneer door het meetsysteem andere voor-
werpen in andere afstanden worden geregistreerd, of de afstand van
het beoogde objectdeel tot de camera verandert.
– Het opslaan van een instelling is uitsluitend mogelijk door de 5-weg-
knop naar voren te drukken.
– Ook als er geen objectdeel is scherpgesteld, kan altijd worden geac-
tiveerd.
Aanwijzing:
In de Live View-modus is
niet beschikbaar.
AFc
Bij beide AF-modi geldt:
U kunt ook tijdens de autofocusmodus altijd door het draaien van de
objectief-instelring handmatig ingrijpen.
• In de Live View-modus verandert de kleur van het meetkruis op de
monitor bij geslaagde scherpstelling van rood naar groen.
Het AF-meetveld in de Live View-modus verplaatsen
U kunt het meetveld in de Live View-modus met de 5-weg-knop naar een
willekeurige plaats in het beeldveld verplaatsen.
In de beide vergrote aanzichten wordt daarbij eerst de uitsnede samen
met het in het midden verblijvende meetveld verplaatst. Pas wanneer de
uitsnede de actuele beeldveldrand bereikt, kan het meetveld over de
uitsnederand worden gebracht door hem verder te verplaatsen.
Aanwijzing:
Als in de Live View-modus de belichtingsmeetmethode Spot wordt gebru-
ikt, is diens meetveld aan die van de autofocus gekoppeld; dat wil zeggen:
het verplaatsen geldt dan voor beide meetvelden.
NL
29