1
2
3
4
5
Voor de indicatie van de werkelijke lasstroom tijdens de laswerkzaamheid:
-
-
Correcties bij de
Om een optimaal lasresultaat te bereiken kan in veel gevallen de parameter Dy-
laswerkzaamhe-
namiek worden ingesteld.
den
1
2
Beïnvloeden van de kortsluitdynamiek op het moment van de druppelovergang:
-
0
+
Netschakelaar in stand -I- zetten: alle weergaven op het bedieningspaneel
lichten kort op.
Met de toets Procedure de procedure Elektrodelassen kiezen:
De lasspanning wordt met een vertraging van 3 s op de lasbus geschakeld.
Als de procedure elektrode lassen gekozen is, wordt een eventueel aanwezig
koelapparaat automatisch uitgeschakeld. Het is niet mogelijk om dit in te
schakelen.
OPMERKING!
Parameters die op een systeemonderdeel worden ingesteld, zoals afstands-
bediening of draadtoevoer, kunnen onder voorwaarden niet op het bedie-
ningspaneel van de stroombron worden gewijzigd.
Met de toets Parameterkeuze de parameter Stroomsterkte kiezen.
Met het stelwiel de gewenste stroomsterkte instellen.
De waarde van de stroomsterkte wordt op het linker digitale scherm getoond.
In principe blijven alle met het stelwiel ingestelde gewenste parameterwaar-
den tot de volgende wijziging opgeslagen. Dat geldt ook als de stroombron
tussentijds uitgeschakeld en weer ingeschakeld wordt.
Met lassen beginnen
Met de toets Parameterkeuze de parameter Lasstroom kiezen
De werkelijke lasstroom wordt tijdens het lassen op het digitale scherm ge-
toond.
Door middel van de toets Parameterkeuze de parameter Dynamiek kiezen
De dynamiek met het stelwiel op de gewenste waarde instellen
De waarde van de parameter verschijnt in het erboven geplaatste digitale
venster.
= harde en stabiele lichtboog
= neutrale lichtboog
= zwakke en spatarme lichtboog
83