Hydraulische aansluitingen en koelmiddel
Hydraulische aansluitingen interne eenheid
Configuratie 1 ZONE
De interne eenheid bevat
a
een manometer die toegan-
kelijk is voor de installateur
tijdens de eerste vulfase. De
druk van de installatie kan
ook worden afgelzen via de
systeeminterface (parame-
ter 1.16.7). Als de interface
niet geïnstalleerd is op het
systeem, wordt geadviseerd
om een externe manometer
te gebruiken om de druk te
controleren en het systeem
te vullen met water.
58 / NL
2
1
Controleer regelmatig de waterdruk
op de manometer en controleer, als
de installatie koud is, of deze waarden
zich tussen de 0,5 en 1,5 bar bevinden.
Als de druk zich onder de minimum-
waarde bevindt, moet u hem verho-
gen via de vulkraantjes.
Zodra de gemiddelde druk op 1,2 bar
is gekomen kunt u de vulkraantjes af-
sluiten.
De min. druk van het verwarmings-/
koelsysteem bedraagt 0,5 bar (0,05
MPa).
De max. druk van het verwarmings-/
koelsysteem bedraagt 3 bar (0,3 MPa).
Ophoping van lucht kan sto-
a
ringen in het systeem en be-
schadiging van onderdelen
veroorzaken.
Opmerking: bij de eerste inschakeling
wordt de automatische ontluchtings-
functie geactiveerd, die nodig is voor de
correcte werking van het systeem. De
activering van de automatische ontluch-
tingscycli van het systeem na de eerste
inschakeling kan worden uitgevoerd via
parameter Ontluchtingsfunctie 1.12.0.
Afb. 74
Als het nodig is om de in-
a
stallatie vaak te vullen (een
keer per maand of vaker),
wijst dit op een mogelijke
probleem in de installatie
(lekken, problemen met het
expansievat).
uw installateur om het pro-
bleem snel te onderzoeken
en op te lossen, om schade
door corrosie van onderde-
len als gevolg van te vaak
vervangen van het water in
het systeem te voorkomen.
Raadpleeg