5. De regelhendel moet 2-5 minuten helemaal geopend blijven. Deze stand
van de regelhendel dient pas te worden veranderd, wanneer het bijge-
vulde hout volledig brandt. Zet de regelhendel vervolgens ongeveer in de
middenpositie.
De verbranding is voltooid wanneer het hout helemaal is verbrand en er geen
smeulende brand of een onvolledige verbranding kan ontstaan. Nu kan de
regelhendel gesloten worden Sluit de luchttoevoer steeds verder af wanneer de
houtkachel niet in gebruik is.
4.2.2 BIJVULHOEVEELHEID HOUT PER UUR
Om schade door oververhitting te voorkomen, zoals verkleuring van het staal,
vervorming, enzovoort en om de optimale werking nog jarenlang te garanderen,
dient u de houtkachel op de juiste manier te stoken. U voorkomt het gevaar
van oververhitting door de maximale warmtecapaciteit niet te overschrijden.
U vindt de juiste bijvulhoeveelheid hout per uur bij de technische gegevens. De
omtrek van afzonderlijke houtblokken moet ongeveer 25 cm zijn!
Houd er rekening mee, dat grotere bijvulhoeveelheden leiden tot oververhit-
ting en beschadiging van de houtkachel. Houtbriketten hebben een hogere
warmtecapaciteit dan hardhout. De bijvulhoeveelheden per uur moeten daarom
ongeveer 20% lager worden gehouden dan voor kloofhout. Bij schade door
oververhitting (te hoge toevoerhoeveelheid per uur) aanvaarden wij geen aan-
spraken op garantie.
4.3 WARMTECAPACITEITSREGELING
De regeling van de warmtecapaciteit gebeurt via de opgegeven brandstofhoe-
veelheid. Probeer niet om de verbranding sterk te vertragen door de luchttoevoer
te verminderen. Dit leidt bij het stoken met hout tot een onvolledige verbranding
en daardoor tot brandstofverspilling en onnodige milieubelasting, want hout ont-
gast ook zonder vlamvorming. Onvolledige verbranding leidt bovendien tot meer
roetvorming op de ruit. Bovendien bestaat het gevaar van een ontploffing (explo-
sieve ontsteking van rookgassen). Zorg dat de deur van de verbrandingskamer
altijd stevig gesloten is, zodat de verbranding niet wordt versneld door ongecon-
troleerde luchttoevoer. De capaciteit van uw houtkachel is ook afhankelijk van de
trek van uw schoorsteen. De trek kan worden verminderd door de diameter van
de schoorsteen of door omgevingsfactoren zoals sterke wind e.d.
4.4 RUIMTEVERWARMINGSCAPACITEIT/
RUIMTEKLIMA AT
De ruimteverwarmingscapaciteit werd vroeger volgens de norm DIN 18893
(laatste versie augustus 1987) aangegeven en is voor moderne huizen van na
1990 niet meer zinvol. Als vergelijkende waarde of voor toepassing bij oudere
gebouwen die nog niet aan de isolatiestandaard van 1977 voldoen, kan deze
oude aanduiding van het te verwarmen volume echter nog interessant zijn.
Een precieze beschrijving van 'gunstig', minder 'gunstig' en 'ongunstig' vindt
u in de norm DIN 18893. Eenvoudig gezegd is 'gunstig' een situatie waarbij
de ruimte slechts één buitenwand heeft en verder overwegend aan verwarmde
ruimten grenst, 'ongunstig' daarentegen gaat van twee buitenwanden en aan-
grenzend onverwarmde ruimten uit.
De aangegeven waarden hebben betrekking op bouwstoffen die nog niet aan
de eisen van de verordening voor warmte-isolatie uit 1977 voldoen. Ze verte-
genwoordigen een vereenvoudiging die geldt voor ruimten met een grootte van
maximaal 200 m3. Al bij ruimten vanaf 200 m
een berekening conform DIN 4701 aan. Tegenwoordig wordt de voorkeur gege-
ven aan een schatting volgens TR-OL of met name een berekening conform
DIN 12831.
4.5 VERWARMEN IN DE OVERGANGSTIJD/ONGUNSTIGE
WEERSOMSTANDIGHEDEN
In de overgangstijd, d.w.z. bij buitentemperaturen boven ca. 15 °C, of bij
ongunstige omstandigheden (valwinden enz.) kunnen bij plotselinge tempe-
ratuurstijgingen storingen in de trek van de schoorsteen ontstaan, waardoor
de rookgassen niet volledig worden afgezogen. De stookplaats moet dan met
NL 32
raadde de norm DIN 18893
3