Onderhoud
3. Veervoorspanning verminderen overeen-
komstig hoofdst. 9.3.
4. Het bovenste deksel (A1) afnemen en de
veren (A10) verwij deren.
5. De aandrij fstang (A7) met membraan-
schotel (A5) en membraan (A4) uit het
onderste deksel (A2) trekken.
6. De nieuwe asafdichtring (A 40) met ge-
schikt afdichtings- en smeermiddel in-
smeren.
7. De asafdichtring met een geschikte mon-
tagepin monteren.
8. Indien noodzakelij k tevens de droge ko-
gellagers (A42) en afstreper (A41) ver-
vangen.
9. Indien noodzakelij k de aandrij fstang
(A7) met geschikt afdichtings- en smeer-
middel insmeren.
beeld 11: Aandrij fstang afdichting
36
10. De aandrij fstang (A7) met membraan-
schotel (A5) en membraan (A4) uit het
onderste deksel (A2) trekken.
11. De veren (A10) op dusdanige wij ze in
het onderste deksel aanbrengen, dat
deze door de verdieping in het deksel
gecentreerd worden.
12. Het bovenste deksel (A1) terugplaatsen.
13. Eventueel de veren voorspannen, over-
eenkomstig hoofdst. 5.2.
14. Het onderste en bovenste deksel (A1,
A2) met schroeven (A20) en moeren
(A21) vastschroeven. Let op het aan-
draaimoment.
15. De aandrij ving op het ventiel monteren,
overeenkomstig hoofdstuk 5.1.
A7
A40
A42
A41
EB 8310-4 NL