2.4.1 Technische specificatie WPM
Netspanning
Opgenomen vermogen
EN 60529
Gangreserve van de timer, weekdag
Toelaatbare omgevingstemperatuur tijdens het bedrijf
Toelaatbare omgevingstemperatuur bij opslag
Voelerweerstanden
Communicatiesysteem
Max. belastbaarheid van de relaisuitgangen
WP-circulatiepompen 1 en 2
Verwarmingscircuitpomp
Mengcircuitpomp
Tapwatercirculatiepomp
Circulatiepomp
Bronpomp
Contact 2 e VW
Mengkraan
Max. totale belasting van alle relaisuitgangen
2.8 Bediening en werking
De in de WPF ingebouwde
warmtepompmanager WPM regelt de
complete verwarmingsinstallatie. Op de WPM
worden alle vereiste instellingen vóór en
tijdens het bedrijf doorgevoerd.
Alle instellingen in de inbedrijfnamelijst van de
warmtepompmanager WPM dienen te
worden uitgevoerd door de installateur.
Normaliter hoeft de installatie in de
zomer niet te worden uitgeschakeld,
omdat de WPM is voorzien van een
automatische zomer-/winteromschakeling.
Als de installatie buiten bedrijf wordt
gesteld, dient de WPM op stand-by te
worden gezet. Zo blijven de
beveiligingsfuncties van de installatie
gehandhaafd (b.v. vorstbeveiliging).
Bij vorstgevaar in de opstellingsruimte van de
warmtepomp moet de installatie waterzijdig
worden afgetapt.
Het water in de condensor kan net als het
water in de verdamper (bij het gebruik van
de WPF als water/water-warmtepomp)
afgetapt worden m.b.v. de vul- en
aftapkranen, die na het verwijderen van de
voorkap toegankelijk zijn.
230 V ~ ± 10 %, 50 Hz
max. 8 VA
Beveiligingssoort IP 1XB
Beveiligingsklasse ll
werkingswijze Type 1B
Software -klasse A
> 10 Std.
0 bis 50 °C
- 30 bis 60 °C
meetweerstand met 2000 W
RS232 (optisch), CAN
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
2 (1,3) A
10 (10) A
2.9 Onderhoud en reiniging
2.9.1 Onderhoud
De warmtepomp werkt volautomatisch en
heeft geen speciaal onderhoud nodig. Indien
energiemeters zijn ingebouwd, moeten de
zich daarin bevindende filters, die gemakkelijk
verstopt raken, regelmatig worden gereinigd.
2.9.2 Reiniging
2.9.2.1 Verdamper
Wanneer met het bronwater meegevoerde
zwaardere deeltjes zich afzetten in de
verdamper, waardoor deze dichtslibt, kan de
verdamper via de aansluitingen
(warmtebroninlaat en warmtebronuitlaat)
worden schoongespoeld.
2.9.2.2 Condensor
Bij storingen in de werking van de
warmtepomp (b.v. activering van de HD-
beveiliging) ten gevolge van afzettingen van
corrosieproducten (roestmodder) in de
condensor, dient de storingsdienst te worden
geraadpleegd; deze kan de afzettingen
chemisch verwijderen met behulp van
geschikte oplosmiddelen.
15