Kom iets overeind uit de bestuurdersstoel. De
motor moet nu stoppen.
4. Neem plaats op de bestuurdersstoel, stel de
parkeerrem in werking, schakel de aftakas uit en zet
de rijhendels in de vergrendelde neutraalstand. Start
nu de motor. Als de motor loopt, centreert u een
van beide rijhendels en beweegt u deze (vooruit of
achteruit). De motor moet nu stoppen. Herhaal
deze procedure bij de andere rijhendel.
5. Neem plaats op de bestuurdersstoel, stel de
parkeerrem buiten werking, schakel de aftakas uit
en zet de rijhendels in de neutraalstand. Probeer de
motor te starten; de motor mag nu niet gaan draaien.
Vooruit en achteruitrijden
Met de gashendel regelt u de snelheid van de motor,
oftewel het toerental (in omwentelingen per minuut).
Zet de gashendel op SNEL om de beste prestaties te
verkrijgen. Laat de motor tijdens het maaien altijd vol
gas draaien.
De machine kan zeer snel ronddraaien. De
bestuurder kan de controle over de machine
verliezen. Dit kan leiden tot lichamelijk letsel
en schade aan de machine.
• Wees voorzichtig als u een bocht maakt.
• Verminder de snelheid van de machine
voordat u een scherpe bocht maakt.
Vooruitrijden
1. Zet de parkeerrem vrij; zie Parkeerrem vrijzetten in
Gebruiksaanwijzing , bladz. 16.
2. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde
stand.
3. Om vooruit te rijden, duwt u de rijhendels langzaam
naar voren (Figuur 15).
Opmerking: De motor slaat af als u de rijhendels
van de tractie beweegt terwijl de parkeerrem is
werking is gesteld.
Om in een rechte lijn te rijden, moet u gelijkmatige
druk uitoefenen op beide rijhendels (Figuur 15).
Om te draaien, beweegt u de rijhendel naar de
neutraalstand, in de richting waarin u wilt draaien
(Figuur 15).
Hoe verder u de rijhendels beweegt (in beide
richtingen), des te sneller zal de machine in de
gewenste richting rijden.
Om te stoppen, zet u beide rijhendels in de
neutraalstand.
1. Rijhendel –
onvergrendelde
neutraalstand
2. Middelste, onvergrendelde
stand
Achteruitrijden
1. Zet de hendels in de middelste, onvergrendelde
stand.
2. Om achteruit te rijden, trekt u de rijhendels naar
achteren (Figuur 15).
Om in een rechte lijn te rijden, moet u gelijkmatige
druk uitoefenen op beide rijhendels (Figuur 15).
Om te draaien, vermindert u de druk op de rijhendel
in de richting waarin u wilt draaien (Figuur 15).
Om te stoppen, zet u beide rijhendels in de
neutraalstand.
De machine stoppen
Om de machine te stoppen, moet u de rijhendels in
de neutraalstand zetten in de vergrendelde stand, de
23
Figuur 15
3. Vooruit
4. Achteruit