Wachtwoorden
Ter beveiliging van uw computer en uw gegevens kunt u wachtwoorden
instellen. U kunt kiezen uit twee typen wachtwoorden: een
systeemwachtwoord of een configuratiewachtwoord. Om de computer te
kunnen gebruiken is het niet noodzakelijk dat u een van beide
wachtwoorden instelt. Als u echter besluit een wachtwoord in te stellen,
lees dan de volgende paragrafen aandachtig door.
Opmerking: Maak bij het typen van wachtwoorden met numerieke tekens
geen gebruik van het numerieke toetsenblok.
Systeemwachtwoord instellen
Het systeemwachtwoord voorkomt dat onbevoegde personen toegang
krijgen tot uw computer. Bij het instellen van het systeemwachtwoord kunt
u kiezen uit drie werkstanden voor de wachtwoordaanwijzing:
In deze werkstand wordt u gevraagd het systeemwachtwoord
Aan
op te geven wanneer u de computer aanzet. Het
besturingssysteem van de computer wordt pas gestart als het
correcte wachtwoord wordt opgegeven. Tot dat moment blijft
het toetsenbord ook vergrendeld. Als u een muis hebt
aangesloten op de muispoort, blijft deze ook vergrendeld. Als
de muis is aangesloten op een seriële poort, wordt de muis
altijd geactiveerd wanneer de computer wordt gestart, ongeacht
of er een wachtwoord is ingesteld.
Opmerking: Als de optie Beheer op afstand is ingeschakeld, is
Uit
In de werkstand Uit (ook wel Onbewaakt starten genoemd)
verschijnt er geen aanwijzing voor het systeemwachtwoord als
u de computer aanzet. De computer start het
besturingssysteem. Lees de onderstaande informatie als er een
muis is aangesloten op de muispoort.
het niet mogelijk om Aan te kiezen. Kies in dat
geval Dubbel. Als u toch probeert om Aan te
kiezen als Beheer op afstand is ingeschakeld, zal
dit automatisch worden teruggezet op Dubbel.
Meer informatie hierover kunt u vinden in
"Beheer op afstand instellen" op pagina 54.
Hoofdstuk 4. Configuratieprogramma
45