Van alle instrumenten heeft de voltmeter de laagste instellingenprioriteit.
Dit betekent dat wanneer bijvoorbeeld ook de oscilloscoop actief is,
automatisch de recordlengte en het aantal pre- en postsamples van de
oscilloscoop gebruikt worden in de voltmeter. De voltmeter gebruikt
alleen de postsamples om de metingen op te verrichten. Wanneer min-
der dan 200 postsamples beschikbaar zijn, worden er in de voltmeter
geen berekeningen uitgevoerd en wordt een waarschuwingsmededeling
weergegeven. De enige instelling die de voltmeter zelfstandig kan aanpas-
sen wanneer de oscilloscoop of de spectrum analyzer actief is, is de sam-
plefrequentie.
Het meetsysteem van de voltmeter
De voltmeter neemt 200 samples van het ingangssignaal met een zekere
samplefrequentie. Deze 200 samples worden gebruikt om verscheidene
berekeningen op uit te voeren.
De voltmeter heeft een beperkt frequentiebereik waarin de gemeten
waarden correct worden weergegeven. Wanneer de periodetijd van het
ingangssignaal veel groter is dan de tijd waarin gemeten wordt (de 200
samples), wordt een verkeerde waarde weergegeven. Zie ook de on-
derstaande figuur.
Wanneer de tijd waarin de 200 samples worden gemeten te lang is ten
opzichte van de periodetijd van het ingangssignaal, kan
(zie ook het hoofdstuk over de oscilloscoop).
Instellen van het frequentiebereik
Om fouten als hiervoor genoemd te voorkomen, moet het frequentiebe-
reik van de voltmeter juist worden ingesteld. Instellen van het frequentie-
72
ontstaan
aliasing
Hoofdstuk 3