Alle veiligheidsrelevante componenten moeten dusdanig in het systeem worden
geïntegreerd, dat de werking en dichtheid te allen tijde gecontroleerd kunnen
worden! De afvoer van de thermische afvoerbeveiliging moet zo worden gemaakt
dat altijd een controle kan worden uitgevoerd (bijv. door een vrije uitloop en een
geurafsluiter).
Voor de ingebruikname moet de koudwaterleiding worden doorgespoeld. Hierdoor
worden eventuele verontreinigingen uit de leiding gespoeld, die het sluiten van
de TAS zouden kunnen storen. Houd rekening met de informatie van de fabrikant
van de TAS.
2.9.4 THERMISCHE POMPSTURING BIJ DE ambiente a4 H
Voor een optimale aansturing van de circulatiepomp is in het onderste vak een
thermostaatschakelaar geïntegreerd (bijv. firma Afriso). Deze zorgt ervoor dat de
circulatiepomp alleen bij de vereiste watertemperatuur (>60 °C) wordt ingescha-
keld. Een aansturing via de ketelsturing of soortgelijke inrichtingen is mogelijk
wanneer de inschakeltemperatuur van de pomp groter is dan 55 °C! De maximale
contactbelasting van de reeds ingebouwde pompthermostaat bedraagt bij 250 V
AC wisselstroom ongeveer 16 (4) A.
De fabrieksinstelling van de thermostaat is vooraf ingesteld op ca. 62 °C. Daar-
door wordt de circulatiepomp, resp. de laadunit bij het bereiken of onderschrijden
van de vereiste watertemperatuur in de waterwarmtewisselaar van de ambiente
a4 H
O van ~60 °C in- of uitgeschakeld. Optioneel, als de omstandigheden
2
daarom vragen, kan de temperatuur door het installatiebedrijf worden aangepast.
Daarvoor moet, afhankelijk van de uitvoering van de thermostaat, het draaiplateau
versteld of de bovenste afdekking afgenomen worden. Na het verwijderen van de
afdekking kan het temperatuurbereik worden gewijzigd.
Bedenk: bij watertemperaturen onder 60 °C stijgt het risico dat onder het dauw-
punt wordt gekomen! Hierdoor kan glansroet ontstaan. Verder worden de reini-
gingsintervallen duidelijk verkort. Wij adviseren daarom de inschakeltemperaturen
op minimaal 60 °C te zetten, maar niet boven 70 °C.
2.9.5 ELEKTRISCHE AANSLUITING
De complete elektrische installatie van de verschillende componenten van de
verwarmingsinstallatie mag alleen door een geautoriseerd vakbedrijf worden uit-
gevoerd. Daarbij moeten alle werkzaamheden conform de VDE-voorschriften (bijv.
VDE 0105, VDE 0116, VDE 0100 etc.) en de technische aansluitvoorwaarden van
O
de plaatselijke stroomleverancier worden uitgevoerd.
2
Bij de ambiente a4 H
2
naar de pomp van de laadunit (zie '2.9.7 Laadunit bij de ambiente a4 H2O' op
pagina 26) en op het stroomnet van het huis te worden uitgevoerd. De tem-
peratuurvaste aansluitleiding is ca. 3,0 m lang en al in de thermostaat geklemd.
23
O hoeft alleen de elektrische installatie van de thermostaat
De blauwe ader, de geschakelde
fase (L'), wordt als fase aangeslo-
ten op de circulatiepomp resp. de
laadunit.
De groen/gele ader wordt aange-
sloten op de aardedraad (aarde)
(PE) van de stroomtoevoer.
De bruine ader wordt aangesloten
op de fase (L) van de stroomtoevoer.
afb. 13a