4. Til de reservewielhouder met de
hand iets op en haak de vergren‐
deling los.
5. Laat de reservewielhouder zak‐
ken.
6. Til de reservewielhouder met de
hand iets op en maak de veilig‐
heidskabel los.
7. Houder volledig laten zakken en
reservewiel verwijderen.
8. Wiel verwisselen 3 199.
Het beschadigde wiel moet in de
bagageruimte worden vastge‐
maakt, zie onderstaand.
9. Til de lege houder voor het reser‐
vewiel op en haak de veiligheids‐
kabel in.
10. Til de reservewielhouder verder
op en haak de vergrendeling vast.
De geopende zijde van de haak
moet hierbij naar de voorkant van
de auto wijzen.
Verzorging van de auto
11. Sluit de lege reservewielhouder
door de zeskantige bout met de
wielsleutel rechtsom te draaien.
12. Berg de wielsleutel en de krik op
in de gereedschapskist in de vloer
van de auto.
13. Vloer bagageruimte sluiten.
Een beschadigd wiel in de
bagageruimte opbergen
De reservewielhouder is niet gemaakt
voor bandenmaten die afwijken van
die van het reservewiel.
Een beschadigd wiel anders dan het
reservewiel in de bagageruimte plaat‐
sen en vastmaken met een band.
Boordgereedschap 3 186.
Wielen met een bandenmaat tot
195/55 R 16
1. Verwijder de bagageruimte-af‐
dekking en til de vloer van de ba‐
gageruimte op. Berg beide op
achter de omhoog gezette rugleu‐
ningen van de zitplaatsen ach‐
terin.
203