5.4. HET BIJSTELLEN VAN HET APPARAAT
Het bijstellen moet worden uitgevoerd door hiertoe bevoegd personeel. Het is aan te raden dit een keer per jaar te laten doen.
5.4.1. BENODIGD MATERIAAL
Een ampèremeter (mA en µA) met een precisie van minstens 0,5%
Een spanningskalibrator van 0,1 tot 1000V, met een precisie van minstens 0,1%
Een of meerdere weerstandsdozen met de volgende waarden:
40Ω, 4kΩ, 40kΩ, 180kΩ, 300kΩ, 400kΩ, 1,5MΩ met een precisie van 0,2%,
7MΩ, 40MΩ, 300MΩ, 1GΩ, 1,5GΩ, 3GΩ met een precisie van 1%.
5.4.2. BIJSTELLINGSPROCEDURE
Om naar de afstellingsmodus te gaan, zet u de schakelaar op positie V en drukt u tegelijkertijd op de 4 functietoetsen, totdat het
apparaat een geluidssignaal laat horen.
Laat de toetsen weer los. Het apparaat geeft CA.1 weer, de eerste van de 8 stappen van het afstellen.
OFF
V
Ω
kΩ
Bij iedere stap drukt u op de toets TEST. Het apparaat voert de instelling uit en geeft de sanctie weer (PASS of FAIL)
Druk op de toets ► om naar de volgende stap te gaan en op ▲ om terug te keren naar de vorige stap.
CA.1-Instelling van de offset in spanning
Schakelaar op positie V
Sluit de klemmen kort
9
100
500
1000
Koppel de klemmen los
250 V
500 V
+
1000 V
MΩ
HOLD
+
SET-UP
29
+
Ω