Elektrische aansluiting
6.3 Aardingsgeleider aansluiten
6.1.4
Interne potentiaalvereffening tussen de hoofdaansluitkast en de
machinebehuizing
De interne potentiaalvereffening tussen de aardingsklem in de aansluitkast, de
aansluitkastdelen en de machinebehuizing wordt ofwel via een metalen contact, via een
koperen vlechtband of een geslagen leider gewaarborgd.
6.2
Aanhaalmomenten
Neem de aanwijzingen in hoofdstuk Aanhaalmomenten (Pagina 147) in acht.
6.2.1
Kabelinvoeren, afsluitstoppen en schroefdraadadapter
Alle kabelinvoeren en afsluitstoppen moeten voor het betreffende ex-gebied toegelaten zijn.
• Sluit niet gebruikte openingen af met overeenkomstig toegelaten afsluitstoppen.
• Houd bij de montage van de kabelinvoeren de instructies van de leverancier aan.
6.3
Aardingsgeleider aansluiten
De doorsnede van de aardleiding moet aan EN / IEC 60034-1 voldoen.
Neem bovendien de installatievoorschriften in acht, bijv. volgens EN / IEC 60204-1.
Een aardleiding kan in principe op twee manieren op de machine worden aangesloten:
• Interne aarding met aansluiting in de aansluitkast op het hiervoor aangewezen en
gemarkeerde punt.
• Buitenste aarding met aansluiting op de statorbehuizing op de hiervoor aangewezen en
gemarkeerde punten.
Tabel 6-3
Minimale doorsnede van de faseleider van de
72
Minimaal doorsnedeoppervlak van de aardingsgeleider
installatie
S
mm²
S ≤ 25
25 < S ≤ 50
S > 50
Minimale doorsnede van de bijbehorende aard‐
aansluiting
mm²
S
25
0,5 S
1MB..5/6 ashoogte 71 ... 355
Bedieningshandleiding, 10/2021, A5E44264501A