7 - BIJZONDERHEDEN VOOR ATEX-ZONES
Volgens richtlijn 2014/34/UE (explosieve atmosferen)
7.1 - Algemeen
- Risico-evaluatie van het explosiegevaar volgens de normen
NF EN ISO 80079-36, NF EN ISO 80079-37 en EN 1127-1.
- De gebruiker moet een classificering opstellen van de
verschillende zones met explosiegevaar in overeenstemming
met de richtlijn 1999/92/EG.
- De cassette ventilatorconvectoren worden geselecteerd en
gefabriceerd naar gelang het type van de zone dat is
gedefinieerd door de gebruiker.
E e n c o n v e c t o r m a g n o o i t f u n c t i o n e r e n i n
omstandigheden waarvoor deze niet is voorzien.
7.2 - Keurmerk
Elke convector wordt geleverd met een A TEX-conformiteitscertificaat;
en het ATEX-keurmerk staat op het typeplaatje, zoals hieronder:
Voorbeeld:
(of IIB + H2) T...°C of TX Gb/Gc (*)
*
De stickers en de in het apparaat geïntegreerde uitrusting zijn
afgestemd op de omstandigheden die door de klant op het
formulier zijn vastgelegd voorafgaande aan de bestelling:
: Genormaliseerd ATEX-teken
II: Groep II = industrieën op land
Uitrustingscategorie (2 of 3 volgens installatiezone 1 of 2).
- Bij. h: Afkortingen voldoen aan de norm NF EN ISO 80079-
36:2016
- Subdivisie gasgroep (IIA, IIB of IIC
- IIB markering geschikt voor subdivisies gasgroepen IIA en IIB.
- Voor gasgroep IIC kan, in geval van de aanwezigheid van
Waterstof en afhankelijk van de markeerzone van de
inbouwelementen de markering van het apparaat IIB + H2 zijn
- TX (Indicatie van de maximaal toelaatbare optimale
oppervlaktetemperatuur) kan ofwel:
• Worden vervangen door de temperatuurklasse in de door de
klant vastgelegde bedrijfsomstandigheden, T1 (450 °C) tot
T6 (85 °C).
• Ofwel de werkelijke temperatuur aangeven (voorafgegaan
door de letter T en gevolgd door de eenheid °C).
- EPL: "materieelbeschermingsniveau" G voor het gas, gevolgd
door niveau b of c afhankelijk van de uitrustingscategorie.
Voor categorie 2 wordt een kopie van het technische
conformiteitsdossier van de units geregistreerd en gearchiveerd
gedurende 10 jaar door een aangemelde instantie. Het
archiefnummer van het dossier wordt aan de klant doorgegeven.
CLIMACIAT
®
CONCEPT
II
2G/3G
Ex h
IIB / IIC
7.3 - Inbedrijfstelling, onderhoud
- De units moeten worden geïnstalleerd en inbedrijfgesteld door
een gekwalificeerde vakman.
- Alle bepalingen van de geldende richtlijnen en normen moeten
worden nageleefd tijdens de installatie, bijvoorbeeld het
automatisch bekrachtigen van de voeding van de unit wanneer
debiet is gedetecteerd door een sensor.
- Raadpleeg in alle gevallen het algemene deel van dit handboek,
de speciale handboeken van de ATEX-componenten die zijn
ingebouwd in de unit en in het ATEX-dossier staan, en de hierna
volgende speciale aanwijzingen:
• Installeer de units zodanig dat de temperaturen bij de
aanzuiging en daaromheen liggen tussen – 20 en + 60 °C.
• De units en de aanvullende metalen elementen moeten
elektrisch zijn geaard door middel van een kabel die met het
frame is verbonden.
• Selecteer en installeer alle elektrische componenten voor de
aansluiting en de regeling overeenkomstig de risicozone
waarin deze zich bevinden.
• Alle aangesloten metalen componenten (kanalen, leidingen
enz.) moeten worden geaard, indien nodig door middel van
massakabels.
• Sluit altijd de thermische beveiliging van de motor aan (zie
§ 4 – Inbedrijfstelling)
- De installateur moet alle noodzakelijke voorzieningen
aanbrengen om te controleren of de temperatuur van de
verschillende elementen van de installatie onder de
zelfontbrandingstemperatuur van het betreffende gas en/of stof
blijft.
- Als voor de aansluiting van de verschillende onderdelen
wanddoorvoeren nodig zijn (aansluiting van kabels, sensoren,
enz.), moeten deze doorvoeren gasdicht zijn om iedere
verspreiding van ATEX-atmosferen te voorkomen. Hetzelfde
geldt voor de onderlinge aansluitingen van de verschillende
blokken waaruit de unit is samengesteld en voor de
aansluitingen op de kanalen.
- Ledere wijziging van de LBK zonder onze voorafgaande
toestemming is verboden.
- Zorg ervoor dat tijdens de assemblage of het uitvoeren van
onderhoud, niets (gereedschappen, schroeven, onderdelen,
enz.) in de unit achterblijft om ieder risico op het optreden van
een gevaarlijke situatie te vermijden (zie hoofdstuk "Informatie
over het gebruik van gereedschappen in een explosieve
atmosfeer").
- Controleer, voorafgaand aan ieder onderhoud, of de unit
stroomloos is.
- Controleer, na afloop van het onderhoud, of alle gedemonteerde
onderdelen weer zijn gemonteerd en vastgezet in hun
oorspronkelijke positie.
- Controleer of alle gevlochten massastrips in goede staat
verkeren en weer zijn aangesloten.
- Controleer regelmatig het vastzitten van afneembare
onderdelen, zoals kappen of deksels en van beweegbare delen,
zoals lamellen van registers of rails van filters.
■ Warmtewisselbatterijen:
- De temperaturen van de vloeistoffen in de batterijen mag de
waarde die op het typeplaatje van het apparaat staat niet
overschrijden.
- Deze moet altijd onder de uiterste waarde van de
oppervlaktetemperatuur (of temperatuurklasse) blijven die hoort
bij de ATEX-atmosfeer waarvoor de unit is gecertificeerd. (zie.
§ 7.2)
NL -24