PAGINA 61
2.9
Veiligheidsaanwijzingen inzake het gebruik van de functie voor rijden
2.9.1
Algemeen
Het is verplicht om de onderstaande aanwijzingen na te leven.
•
Het is verboden om op de openbare weg te rijden, de machine is niet goedgekeurd voor dit
doel;
•
Verzeker u ervan dat de manoeuvres voor de rijdende verplaatsing van de machine
plaatsvinden op een stevige en vlakke ondergrond;
•
Controleer dat er geen sprake is van kuilen en oneffenheden en let op voor de afmetingen van
de machine;
•
Controleer voorafgaand aan de rijdende verplaatsing dat er geen personen of obstakels
aanwezig zijn in het omringende gebied;
•
WIJZIG DE RIJRICHTING niet op stoepranden, rotsen of grote hoogteverschillen (> 10 cm). Deze
obstakels moeten altijd loodrecht benaderd worden;
•
Stuur bij het omhoog rijden op een helling nooit van de vlakte naar de helling toe. Verricht de
manoeuvre geleidelijk aan als dit toch nodig is.
•
Rijd niet langs de rand van een helling of op een oneffen bodem met één rupsband horizontaal
en de andere rupsband gedeeltelijk opgeheven (>10°). Om beschadiging van de rupsbanden te
voorkomen, MOETEN DE RUPSBANDEN BIJ HET RIJDEN ALTIJD OP HETZELFDE VLAK
STEUNEN.
•
Wanneer u over een obstakel rijdt kan een leegte ontstaat tussen de dragende rollen en de
rupsband, waardoor de rupsband van zijn plaats kan verschuiven.
•
Wanneer van richting wordt veranderd in een situatie waarin de rupsband wegens een obstakel
niet zijwaarts kan verplaatsen, kan de rupsband van zijn plaats kan verschuiven.
ALMAC s.r.l.