7
Inbedrijfstelling
7.1
Algemeen
7.2
Checklist vóór inbedrijfstelling
7763607 - v02 - 07072020
Een speciale inbedrijfstellingsprocedure is vereist voor de hybride
warmtepomp:
Wanneer het apparaat voor het eerst wordt gebruikt;
Na een langere periode in de uitstand;
Na voorvallen die een complete herinstallatie vereisen.
Tijdens de inbedrijfstellingsprocedure kan de gebruiker zien wat de
verschillende instellingen en uit te voeren controles zijn om de
warmtepomp in alle veiligheid op te starten.
Belangrijk
Raadpleeg vóór de inbedrijfstelling ook de informatie in de
installatie- en servicehandleiding van de ketel.
1. Controleer het verwarmingscircuit.
2. Controleer de elektrische aansluitingen.
3. Controleer de koelingcircuitaansluitingen.
4. Controleer de gas- of stookolieaansluitingen.
5. Controleer de goede werking van de veiligheidsvoorzieningen.
7.2.1
Verwarmingscircuit controleren
1. Controleer of het volume van het/de expansievat(en) voldoende is
voor het watervolume in de verwarmingsinstallatie.
2. Controleer de druk van het/de expansievat(en).
3. Controleer of het verwarmingscircuit voldoende water bevat. Vul
indien nodig meer water bij.
4. De waterzijdige aansluitingen op dichtheid controleren.
5. Controleer of het verwarmingscircuit goed is ontlucht.
6. Controleer of de filters niet verstopt zijn. Reinig deze zo nodig.
7. Controleer of de kleppen en thermostatische radiatorkranen open
staan.
8. Controleer of alle instellingen en veiligheidsvoorzieningen goed
werken.
7.2.2
Controle van elektrische aansluitingen
1. Controleer de netvoedingsaansluiting naar de volgende componenten:
Buitenunit
Binnenunit
2. Controleer de verbinding tussen de binnenunit en de
bijverwarmingsketel.
3. Controleer of de BUS-kabel correct is aangebracht tussen de
binnenunit en de buitenunit, en dat deze gescheiden is van de
voedingskabels.
4. Controleer de conformiteit van de gebruikte stroomonderbrekers:
Zekeringsautomaat van de buitenunit
Zekeringsautomaat van de binnenunit
Zekeringsautomaat van de bijverwarmingsketel
5. Controleer de plaatsing en aansluiting van de sensoren:
Kamertemperatuursensor (indien aanwezig)
Buitentemperatuursensor
Debietsensor voor het tweede circuit (indien aanwezig)
6. Controleer de aansluiting van de circulatiepomp(en).
7. Controleer dat de draden en aansluitklemmen goed bevestigd zijn of
aangesloten op de klemmenstroken.
8. Controleer de scheiding tussen de elektrische voeding en de extra
lage spanningskabels.
7 Inbedrijfstelling
Remeha Hera Hybrid
65