7. Zet de pompschakelaar op Aan om de pomp
in werking te stellen.
8. Zet de schakelaar van elke spuitboom en de
hoofdschakelaar van de spuitbomen op Aan.
9. Stel de druk in op de waarde die wordt
aangegeven op de drukmeter, totdat de
druk zich bevindt in het bereik voor de
spuitdoppen die u hebt geïnstalleerd op de
spuitbomen (normaal 276 kPa [40 psi]). Dit
doet u met behulp van de schakelaar voor de
gebruiksdosis.
10. Noteer de waarde op de drukmeter.
11. Schakel een van de spuitbomen uit met behulp
van de corresponderende schakelaar.
12. Stel de omloopklep (Figuur 28) onder de
regelklep van de spuitboom die u hebt
uitgeschakeld, zodanig in dat de drukwaarde
op de meter dezelfde is als in stap 9.
Figuur 28
1. Omloopkleppen van spuitbomen
13. Schakel de spuitboom in en uit om te
controleren of de druk ongewijzigd blijft.
14. Herhaal stappen 11 tot en met 13 voor de
andere spuitbomen.
15. Laat de machine rijden met de gewenste
snelheid terwijl u spuit, en schakel de
spuitbomen een voor een uit. De druk die de
meter aangeeft, mag niet veranderen.
Pomp
De pomp bevindt zich bij de voorkant van de tank,
rechts (Figuur 29).
Figuur 29
1. Pomp
2. Smeernippel
Luchtdruk in demper instellen
De luchtdruk in de demper op de pomp is in de
fabriek ingesteld op 103 kPa (15 psi). Deze wordt
aanbevolen voor een spuitdruk van spuitdoppen
tussen 138 kPa (20 psi) en 310 kPa (45 psi). Indien
een andere druk is vereist, moet u de drukdemper
instellen op de aangegeven waarde.
Spuitdop
138-310 kPa/20-45 psi
290 en hoger kPa/42 en
hoger psi
Transport van de
spuitmachine
Om de machine over grote afstanden te
verplaatsen, moet u een aanhanger gebruiken. Zet
de machine goed vast op de aanhanger. Figuur 30
toont de voorste bevestigingspunten.
36
3. Drukdemper
Demper
0-103 kPa/0-15 psi
103-310 kPa/15-45 psi