Elektrische installatie
LET OP
EMC-STORINGEN
Gebruik afgeschermde kabels voor motor en stuurkabels
en afzonderlijke kabels voor ingangsvermogen,
motorkabels en stuurkabels. Als voedings-, motor- en
stuurkabels niet van elkaar worden gescheiden, kan dit
resulteren in een onbedoelde werking of verminderde
prestaties. De afstand tussen voedings-, motor- en
stuurkabels moet minimaal 200 mm bedragen.
4.5 Toegang
•
Verwijder de afdekking met een schroevendraaier
(zie Afbeelding 4.3) of door de bevestigings-
schroeven los te draaien (zie Afbeelding 4.4).
Afbeelding 4.3 Toegang tot bedrading voor IP 20- en IP 21-
behuizingen
Afbeelding 4.4 Toegang tot bedrading voor IP 55- en IP 66-
behuizingen
Raadpleeg Tabel 4.1 voordat u afdekkingen vastzet.
MG33AP10
Bedieningshandleiding
Geen schroeven om aan te halen voor A1/A2/A3/B3/B4/C3/C4.
Tabel 4.1 Aanhaalmomenten voor afdekkingen [Nm]
4.6 Motoraansluiting
WAARSCHUWING
GEÏNDUCEERDE SPANNING
Geïnduceerde spanning van de uitgangskabels van
motoren die bij elkaar zijn geplaatst, kan de conden-
satoren van de apparatuur opladen, zelfs wanneer de
apparatuur is afgeschakeld en vergrendeld (lockout).
Wanneer u de motoruitgangskabels niet van elkaar
gescheiden houdt en ook geen afgeschermde kabels
gebruikt, kan dit leiden tot ernstig of dodelijk letsel.
•
•
•
•
•
•
Procedure
1.
2.
3.
4.
5.
Danfoss A/S © Rev. 07/2014 Alle rechten voorbehouden.
Behuizing
IP55
A4/A5
2
B1/B2
2,2
C1/C2
2,2
Houd uitgaande motorkabels van elkaar
gescheiden of
gebruik afgeschermde kabels.
Volg de nationale en lokale voorschriften ten
aanzien van kabelgroottes op. Zie
hoofdstuk 8.1 Elektrische gegevens voor de
maximale draaddiktes.
Volg de bedradingsvereisten van de motorfa-
brikant op.
Onder aan eenheden van het type IP 21 (NEMA
1/12) en hoger zijn uitbreekpoorten of toegangs-
panelen aangebracht voor het aansluiten van de
motorkabels.
Sluit geen starter of poolomschakelingsapparaat
(voor bijv. Dahlandermotor of sleepringmotor)
aan tussen de frequentieomvormer en de motor.
Verwijder een deel van de buitenste kabelisolatie.
Plaats de gestripte draad onder de kabelklem om
een mechanische bevestiging en elektrisch
contact tussen de kabelafscherming en aarde te
verkrijgen.
Sluit de aarddraad aan op de dichtstbijzijnde
aardklem overeenkomstig de aardingsinstructies
in hoofdstuk 4.3 Aarding; zie Afbeelding 4.5.
Sluit de 3-fasige motorkabel aan op klem 96 (U),
97 (V) en 98 (W); zie Afbeelding 4.5.
Haal de klemmen aan overeenkomstig de
informatie in hoofdstuk 8.8 Aanhaalmomenten
voor aansluitingen.
IP66
2
2,2
2,2
4
4
17