Richtlijnen voor het gebruik van papier
U kunt de meeste papiersoorten en -formaten, transparanten of andere speciale media in de
laden van de printer plaatsen. Volg deze richtlijnen bij het plaatsen van papier en andere media
in de laden:
■
Gebruik lade 1 (MPT) voor enveloppen, dik karton en papier van aangepast formaat.
Waaier papier, transparanten en andere speciale media uit voordat u ze in de
■
papierlade plaatst.
■
Bedruk enveloppen, etiketten en transparanten op één zijde.
■
Zie
Afdrukken op enveloppen
reliëf bedrukken van de enveloppen tijdens het afdrukproces te beperken.
■
Leg niet te veel papier in de laden. Plaats geen papier boven de vullijn die op de
papiergeleider is aangegeven.
Duw de papiergeleiders tegen de zijkant van het papier. Bij laden 2 - 5 klikken de
■
papiergeleiders vast wanneer deze juist zijn ingesteld.
■
Gebruik papier of andere goedgekeurde media uit een nieuwe verpakking indien er zich
te veel papierstoringen voordoen.
Zie ook:
Afdrukken op transparanten
Afdrukken op enveloppen
Afdrukken op etiketten
Afdrukken op glanspapier
Afdrukken op aangepast papierformaat
Papier dat de printer kan beschadigen
Deze printer is ontworpen om verschillende mediatypen voor afdruk- en kopieertaken te
kunnen verwerken. Het gebruik van bepaalde soorten media kan echter de afdrukkwaliteit
doen afnemen, meer papierstoringen dan normaal als gevolg hebben of beschadigingen aan de
printer veroorzaken.
Onder de niet toegestane media bevinden zich:
Ruwe of poreuze media
■
■
Kunststof media (anders dan de ondersteunde transparanten)
■
Gevouwen of gekreukt papier
■
Papier met nietjes
■
Vensterenveloppen of enveloppen met metalen klemmen
■
Gewatteerde enveloppen
■
Niet voor laser geschikt glanspapier of gecoat papier
■
Geperforeerde media
op pagina 3-28 voor informatie om het kreuken en het in
op pagina 3-23
op pagina 3-28
op pagina 3-31
op pagina 3-35
op pagina 3-40
Phaser® 6300/6350-kleurenlaserprinter
3-4
Ondersteund papier en afdrukmateriaal