bedieningspaneel tegelijkertijd ingedrukt. Deze instelling wordt gewist zodra het apparaat wordt uit- en
weer ingeschakeld.
Wielbalancering
1.
Sluit de wielkap. Druk op de
ingesteld.
2.
Het wiel krijgt een paar seconden meer snelheid. Nadat het apparaat de onbalans heeft gemeten, stopt
het wiel en worden op de displays (A) en (B) de gewichten weergegeven die nodig zijn om de band in
balans te brengen.
3.
Til de wieldop op en plaats vervolgens de juiste gewichten op de velg, als volgt: Draai het wiel langzaam
met uw hand totdat een van de indicatoren, (C) of (D), volledig brandt. Als de indicator (C) gaat branden,
plaatst u het gewicht op de binnenkant van het wiel in de 12-uurspositie. Als de indicator (D) gaat branden,
plaats dan het juiste gewicht op de buitenkant van het wiel, ook in de 12-uurspositie.
4.
Wanneer u kort op de knop "" drukt, wordt een reeks vooraf ingestelde parameters weergegeven.
5.
Indien er onjuiste wielparameters worden ingevoerd, is het mogelijk om de aangegeven waarden opnieuw
te berekenen zonder dat er een nieuwe meting hoeft te worden uitgevoerd. Om dit te doen, drukt u langer
op de ""-knop. De nieuwe onbalanswaarden verschijnen op de displays (A) en (B).
6.
Wanneer het apparaat een onbalans van minder dan 5 g heeft berekend, geeft het display (A) of (B)
standaard de waarde "0" weer. De gebruiker kan de
drukken.
Optimalisatiefunctie
Met de optimalisatiefunctie kunt u het gewicht dat aan het wiel wordt toegevoegd, verminderen om het
wiel in balans te brengen. Dit wordt aanbevolen voor indicaties boven 30 g bij statisch balanceren. Om de
optimalisatiefunctie te starten, drukt u op de
knop "" (M) te drukken.
Om een functie te gebruiken, doet u het volgende:
1.
Druk op de
"" (N) knop. Op de displays ziet u:
2.
Druk op de
"" (O) knop. Het apparaat voert één meetcyclus uit, waarna het display het volgende
weergeeft:
NL
knop "" (O), tenzij het automatisch opstarten van de machine is
waarde weergeven door op de
knop "" (N). U kunt deze functie verlaten door op de
knop "" (L) te