5.15
PC-interfaces
Apparaatschade c.q. storingen door onvakkundig aansluiten van de PC!
Wanneer de interface SECINT X10USB niet gebruikt wordt, heeft dit apparaatschade c.q.
storingen in de signaaloverdracht tot gevolg. Door hoogfrequente ontstekingsimpulsen kan de
PC worden vernield.
•
Tussen de PC en het lasapparaat moet de interface SECINT X10USB worden aangesloten!
•
Voor het aansluiten mogen uitsluitend de meegeleverde kabels worden gebruikt (geen extra
verlengkabels toepassen)!
Lasparameter software PC 300
Alle lasparameters rustig instellen op de PC en eenvoudig verzenden naar een of meer lasapparaten
(accessoires, set bestaande uit software, interface, verbindingskabels)
Lasgegevensdocumentatiesoftware Q-DOC 9000
(Accessoires: set bestaande uit software, interface, verbindingskabels)
De ideale tool voor de documentatie van lasgegevens, bijv.:
lasspanning en -stroom, draadsnelheid, motorstroom.
Lasgegevens-, bewakings- en documentatiesysteem WELDQAS
Netwerkcompatibel lasgegevens-, bewakings- en documentatiesysteem voor digitale lasapparaten.
5.16
Toegangsbesturing
De sleutelschakelaar is uitsluitend beschikbaar bij apparaten die af fabriek met de optie "OW KL
XX5" werden uitgerust.
Als beveiliging tegen het onbevoegd of per ongeluk verstellen van de lasparameters op het apparaat, is
het met behulp van de sleutelschakelaar mogelijk om de invoer van de besturing te blokkeren.
In sleutelstand 1 kunnen alle functies en parameters onbeperkt worden ingesteld.
In sleutelstand 0 kunnen de volgende functies of parameters niet worden gewijzigd:
•
Geen verstelling van het werkpunt (lasvermogen) in de programma's 1–15.
•
Geen wijziging van lassoort, bedrijfsmodus in de programma's 1–15.
•
Lasparameterwaarden kunnen in het functieverloop van de besturing worden weergegeven, maar niet
worden gewijzigd.
•
Geen omschakeling van lasopdracht (block-JOB-bedrijfsmodus P16 mogelijk).
•
Geen wijziging van speciale parameters (behalve P10) – herstart vereist.
5.17
Speciale parameters (uitgebreide instellingen)
De speciale parameters (P1 tot Pn) worden gebruikt voor de klantenspecifieke configuratie van
apparaatfuncties. De gebruiker beschikt daarmee over een grote mate van flexibiliteit ter optimalisering
van eigen behoeften.
Deze instellingen worden niet direct op de apparaatbesturing uitgevoerd omdat het regelmatig instellen
van deze parameters over het algemeen niet wordt vereist. Het aantal selecteerbare speciale parameters
kan afhankelijk van de gebruikte apparaatbesturing voor het lassysteem verschillen (zie de
desbetreffende standaard gebruikshandleiding). Indien gewenst kan men de speciale parameters
terugzetten naar de fabrieksinstellingen > zie hoofdstuk 7.3.
099-005421-EW505
12.05.2016
Opbouw en functie
PC-interfaces
71