Mengpaneel-gedeelte
1
2
3
4
5
6
7
1 INPUT SELECT-schakelaar
De ingangsbron selecteren voor elk kanaal uit de componenten die
op dit toestel zijn aangesloten.
! [DECK1-4]: Selecteer deze instelling om het geladen muziekstuk
in een deck van de Serato DJ-software te gebruiken.
! [PHONO/LINE]: Selecteer deze instellingen om het aangesloten
apparaat op de [PHONO/LINE]-ingangsaansluitingen op het
achterpaneel te gebruiken.
2 TRIM-instelling
Regelt het niveau van de geluidsingang naar elk kanaal.
3 EQ (HI, MID, LOW) instellingen
Versterkt of verzwakt frequenties voor de diverse kanalen.
4 FILTER-instelling
Het filtereffect toepassen.
5 Hoofdtelefoon CUE knop
Druk op:
Hiermee stuurt u het geluid van de kanalen waarvoor deze toets
wordt ingedrukt naar de hoofdtelefoon.
! Wanneer er nog een keer op de hoofdtelefoon [CUE] knop wordt
gedrukt, wordt het meeluisteren geannuleerd.
[SHIFT] + Druk op deze toets:
Hiermee stelt u het tempo van het muziekstuk in door op de toets te
tikken. (Tikfunctie)
! Wanneer de tik-functie wordt gebruikt, schakelt de weergave
van het deck-gedeelte op het computerscherm over naar de
[Beatgrid Editor]-weergave. Om de weergave van het deck-ge-
deelte weer terug te krijgen zoals het was, moet u op het compu-
terscherm op [Edit Grid] klikken.
6 Kanaal-fader
Verplaatsen:
Regelt het niveau van de geluidsuitgang van elk kanaal.
[SHIFT] + verplaats:
Hiermee schakelt u de startfunctie van de kanaal-fader in.
= De kanaalfader startfunctie gebruiken (blz. 21 )
12
Nl
8
9
a
b
c
d
7 Crossfader-regelaar
Hiermee schakelt u de geluidsuitvoer in die is toegewezen met de
toewijzingsschakelaar van de crossfader.
[SHIFT] + verplaats:
Hiermee schakelt u de startfunctie van de crossfader in.
= De startfunctie van de crossfader-regelaar gebruiken (blz. 22 )
8 MASTER LEVEL instelling
Hiermee regelt u het niveau van de geluidsuitvoer voor het
masterkanaal.
9 BOOTH MONITOR-instelling
Regelt het niveau van de geluidsuitgang uit de [BOOTH]-aansluiting.
a HEADPHONES MIXING instelling
Regelt de balans van het meeluistervolume tussen het geluid van de
kanalen waarvoor de [CUE]-hoofdtelefoontoets wordt ingedrukt en
het geluid van het masterkanaal.
b SAMPLER VOL-instelling
Het geluidsniveau van de sampler aanpassen.
c Kanaalniveau-aanduiding
Toont het geluidsniveau van elk kanaal voordat het door de kanaalfa-
ders geleid wordt.
d Hoofdniveau-aanduiding
Hiermee ziet u het niveau van de geluidsuitvoer voor het
masterkanaal.
Effect-gedeelte
Met het Effect-gedeelte bedient u de twee effectgeneratoren (FX1 en
FX2). De instellingen en toetsen voor de bediening van FX1 bevinden zich
aan de linkerzijde van de controller en die voor de bediening van FX2 aan
de rechterzijde van de controller. Gebruik de effecttoewijzingstoetsen op
het mengpaneel om de doelkanalen in te stellen waarop u de effecten
wilt toepassen.
1
3
1 Instellingen effectparameters
Hiermee regelt u de parameters van effecten.
2 FX BEATS-instelling
Regelt de effecttijd.
[SHIFT] + druk op deze toets:
= Omschakelen van de tempostand van het effect (blz. 24 )
3 Toetsen effectparameters
Druk op:
Schakelt het effect in en uit of schakelt over naar een andere
parameter.
[SHIFT] + Druk op deze toets:
Schakelt het effecttype om.
4 FX 1 ASSIGN-toets
Schakelt effect-unit FX1 in en uit voor het betreffende kanaal.
5 FX 2 ASSIGN-toets
Schakelt effect-unit FX2 in en uit voor het betreffende kanaal.
2
4
5