◁
Wanneer het drogen van de dekvloer tot dat 29
succesvol is verlopen, wordt in het display de mel-
ding Drogen dekvloer beëindigd weergegeven.
▽
Wanneer in het verloop van het drogen van de dek-
vloer een fout optreedt, wordt in het display de mel-
ding Fout getoond.
▶
Kies een nieuwe startdag voor het drogen van
de dekvloer of onderbreek de procedure.
8.19
Koelmodus activeren
▶
Ga naar het bedieningsveld van de binnenunit.
▶
Navigeer naar: Menu → Installateurniveau → Toestel
configuratie → Koelingstechnologie.
▶
Kies: Actieve koeling.
▶
Wanneer het een warmtepompcascade betreft, voer dan
deze instelling voor elke warmtepomp met koelfunctie uit.
Voorwaarde: Systeemthermostaat aangesloten
▶
Activeer in het menu van de systeemthermostaat de
koelmodus, → installatiehandleiding systeemthermostaat.
8.20
Optionele systeemthermostaat in gebruik
nemen
Volgende werkzaamheden voor de ingebruikneming van het
systeem werden uitgevoerd:
–
De montage en elektrische installatie van de systeem-
thermostaat en van de buitentemperatuurvoeler is afge-
sloten.
–
De ingebruikneming van alle systeemcomponenten
(behalve systeemthermostaat) is afgesloten.
Volg de installatieassistent en de gebruikers- en installatie-
handleiding van de systeemthermostaat.
8.21
Vuldruk in afgiftecircuit weergeven
Het product beschikt over een druksensor in het CV-circuit
en een digitale drukindicatie.
▶
Selecteer Menu Monitoren, om de vuldruk in het afgifte-
circuit weer te geven.
◁
Voor een correct functioneren van het afgiftecircuit
moet de vuldruk tussen 1 bar en 1,5 bar liggen. Als
de CV-installatie zich over meerdere verdiepingen uit-
strekt, dan kunnen hogere waarden voor de vuldruk
vereist zijn om lucht in de CV-installatie te vermijden.
8.22
Functie en dichtheid controleren
Voor u het product aan de gebruiker overhandigt:
▶
Controleer de CV-installatie (warmteopwekker en instal-
latie) en de warmwaterleidingen op dichtheid.
▶
Controleer of de afvoerleidingen van de ontluchtingsaan-
sluitingen correct geïnstalleerd zijn.
8.22.1 CV-bedrijf controleren
▶
Neem de installatiehandleiding voor de systeemregelaar
in acht.
44
8.22.2 Warmwaterbereiding controleren
▶
Neem de installatiehandleiding voor de systeemregelaar
in acht.
9
Aanpassing aan de CV-installatie
9.1
CV-installatie configureren
De installatieassistent wordt bij het eerste inschakelen van
het product gestart. Na het beëindigen van de installatieas-
sistent kunt u in het menu Toestel configuratie o.a. de pa-
rameters van de installatieassistent verder aanpassen.
Om de door de warmtepomp gegenereerde waterdoorstro-
ming aan de betreffende installatie aan te passen, kan de
maximaal beschikbare druk van de warmtepomp in de CV-
en warmwaterfunctie worden ingesteld.
Deze beide parameters kunnen worden opgeroepen
via Menu → Installateurniveau → Toestel configuratie.
Het instelbereik ligt tussen 200 mbar en 900 mbar. De warm-
tepomp werkt optimaal, als door de instelling van de be-
schikbare druk de nominale doorstroming bereikt kan wor-
den (Delta T = 5 K).
9.2
Restopvoerhoogte van het product
De restopvoerhoogte is niet direct instelbaar. U kunt de
restopvoerhoogte van de pomp begrenzen, om deze aan het
plaatselijke drukverlies in het CV-circuit aan te passen.
De geïntegreerde pomp probeert de nominale volumestroom
te bereiken.
9.2.1
Restopvoerhoogte VWL 58/5 bij nominale
volumestroom
A
800
600
1
400
200
0
40
50
60
1
VWL 58/5 met 3,5 kW /
540 l/h
2
VWL 58/5 met 5 kW /
790 l/h
Installatie- en onderhoudshandleiding 0020257285_04
2
100 B
70
80
90
A
Restopvoerhoogte in
hPa (mbar)
B
Pompvermogen in %