De toevoer van de voor de verbranding benodigde lucht kan op
verschillende manieren verkregen worden, bijvoorbeeld:
- afkomstig uit het vertrek waarin het toestel is geïnstalleerd of
aanpalende vertrekken
- gerealiseerd met een luchttoevoer met rechtstreekse toevoer
in het vertrek en met kanalisatie
- met een rechtstreekse verbinding met de verbrandingskamer.
De luchttoevoer moet:
- moet een totale vrije doorsnede hebben die gelijk is aan of gro-
ter is dan de afmetingen vermeld zijn in de paragraaf " TECH-
NISCHE GEGEVENS " en hoe dan ook gelijk over hoger dan de
doorsnede van de luchtingang op het toestel
- beschermd worden door een rooster of een andere geschikte
bescherming die de voorgeschreven minimum doorsnede niet
kleiner maakt
- zodanig geplaatst worden dat hij niet verstopt kan raken en dat
inspectie en onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd kunnen
worden.
Aanwijzingen voor gesloten installaties
De gesloten installatie moet uitgevoerd worden door de ingang
van de verbrandingslucht van het toestel rechtstreeks te verbin-
den met de luchttoevoer via een verbindingsleiding.
De verbindingsleiding voor de toevoer van de verbrandingslucht
van het toestel moet beantwoorden aan de volgende vereisten:
- een doorsnede hebben die ten minste gelijk aan of groter is
dan de doorsnede van de koppeling op het toestel
- moet van het geschikte type zijn, uit geschikt materiaal ver-
vaardigd zijn en onbrandbaar zijn
- de gebruikte buizen en koppelingen en de installatiemodus
moeten een hermetische afsluiting garanderen
- in geval van een rechtstreekse aansluiting buiten, moet de in-
gang ervoor zorgen dat slechte weersomstandigheden de ver-
branding niet negatief kunnen beïnvloeden, bijvoorbeeld door
de installatie van een ingang met een bocht van 90° naar bene-
den of een windwerend scherm
- wanneer de installatie een aansluiting voorziet aan coaxiale
buizen met ingang voor de voorverwarmde verbrandingslucht,
moeten de gebruikte materialen op passende wijze bestand
zijn tegen de gebruikte temperaturen.
Voor een correcte werking van het toestel, indien niet anders
vermeld in de paragraaf " TECHNISCHE GEGEVENS " en " AAN-
SLUITING VERBRANDINGSLUCHT ", dient de kanalisatie over de
volgende kenmerken te beschikken:
het maximum aantal bochten niet gro-
ter dan 90° (inclusief de eerste aanslui-
ting op het toestel)
2
3
4.3
SCHOORSTEEN
Elk toestel moet aangesloten zijn op een schoorsteen om, door
middel van natuurlijke trek, de verbrandingsgassen naar buiten
af te voeren.
De schoorsteenpijp moet:
- moet in overeenstemming zijn met de wetgeving, over CE-mar-
kering beschikken en gebouwd worden volgens de veiligheids-
voorschriften
- moet aangepast zijn aan de specifieke werkingscondities van
het toestel dat geïnstalleerd wordt; de afmetingen moeten
aangepast zijn; in het bijzonder de minimumtrek garanderen
die door het toestel vereist is
- door slechts één toestel gebruikt worden, of dit nu een kachel,
een haard of afzuigkap is, tenzij anders vermeld in paragraaf
" TECHNISCHE GEGEVENS ".
INFORMATIE MET BETREKKING TOT HET PRODUCT, INSTALLATIE EN ONDERHOUD
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10 Vertrek waarin het toestel wordt geïnstalleerd
11 Toestel (warmtegenerator)
maximumlengte
van de kanalisatie
Wanneer de schoorsteen niet aan de vereisten beantwoordt,
overweeg met gespecialiseerde technici de mogelijkheid om wij-
6 m
zigingen uit te voeren, volgens de voorschriften, door er bijvoor-
4 m
beeld passende pijpleidingen in te plaatsen.
DT2002486_H072090NL0_01
1
2
X
MAX 45°
3
4
5
6
7
8
9
Schoorsteen
Schoorsteenkanaal
Aansluiting op het schoorsteenkanaal
Rookgaskanaal
Inspectie van de roetverzamelplaats
Externe ventilatie-opening
Stroomvoorziening
Controle draagvermogen vloer
Minimum veiligheidsafstanden
d
De aansluiting voor het afvoeren van de verbran-
dingsproducten moet in overeenstemming zijn met
de plaatselijke voorschriften.
In Italië en andere Europese landen moeten de ver-
■ ■
brandingsproducten via het dak wordt afgevoerd; een
rechtstreekse afvoer via de wand of naar een gesloten
ruimte, ook al is deze bovenaan geopend, is verboden.
Voor meer informatie over de beperkingen en de ver-
■ ■
eisten in uw regio, verwijs naar de normen.
NO
10
11
Fig. 7
13